27.09.2026, 13:31

Zoeken

Jachtwet

Jachtwet: raadpleging over het afschieten van wolven tijdens het werpseizoen en in jachtbanngebieden loopt tot 16 oktober

De Bondsraad wil het afschieten van wolven tijdens het werpseizoen en in federale jachtbanngebieden toestaan. Het eigen toelichtingsrapport erkent wat dit betekent voor jonge dieren en beschermde gebieden.

Redactie Wild beim Wild · 27 september 2026

Op 24 juni 2026 heeft de Bondsraad de raadpleging over een verdere herziening van de jachtwet geopend.

Daarmee voert hij twee in 2025 door het parlement aangenomen moties uit: 25.3715 Friedli (“Afschieten van wolven in jachtbanngebieden toestaan”) en 25.3549 Broulis (“Probleemwolf die in een roedel leeft. Ingrijpen moet mogelijk zijn!”).

Er zijn twee nieuwe bepalingen voorzien. Art. 12 lid 2ter moet de kantons toestaan om ook tussen 1 februari en 31 mei tegen wolven uit roedels op te treden. Art. 11 lid 5bis moet zulke ingrepen voortaan ook in de federale jachtbanngebieden toestaan. De Bondsraad koppelt de ingrepen aan herhaalde aanvallen ondanks kuddebescherming of aan gevaar voor mensen. Tot nu toe waren roedelwolven tijdens de voortplantingsperiode en in de federale jachtbanngebieden beschermd tegen afschot.

Samen met de proactieve regulering van september tot januari en de reactieve regulering van juni tot augustus zou het afschieten van probleemwolven volgens de Bondsraad zo “heel het jaar door” mogelijk worden.

Wat er in het toelichtingsrapport staat

De Persbericht van het UVEK benadrukt “individuele” probleemwolven. Doorslaggevend zijn echter de wettekst en het toelichtingsrapport.

Afschot ondanks jonge dieren in het roedel. Het rapport erkent dat februari tot mei «zelfs bij bejaagbare soorten klassiek in de gesloten periode valt» en dat er een «zeker risico» bestaat om «weesjongen achter te laten». Toch zouden afschotten toegestaan moeten zijn, «zelfs als vaststaat of de mogelijkheid bestaat dat dit roedel jongen heeft». Daarmee zou voor roedelwolven een bescherming vervallen die art. 7 lid 5 van de jachtwet voor bejaagbare soorten zoals ree of gems uitdrukkelijk vereist: de bescherming van moederdieren en jongen. Het rapport eist weliswaar dat «bijzonder rekening gehouden wordt» met de bescherming van de jongen. In de wettekst staat hierover echter niets.

Ook roedelregulering in jachtbanngebieden. Het ontwerp betreft niet alleen individuele wolven. Art. 11 lid 5bis verwijst uitdrukkelijk ook naar de proactieve regulering volgens art. 7a en naar de reactieve regulering van roedels. Het rapport bevestigt zelf dat de bepaling «zowel voor individuele afschotten […] als voor regulering van roedels» geldt. De bewering dat de nieuwe regeling «geen versoepeling van de bestandsregulering» met zich meebrengt, heeft alleen betrekking op de werptijd. Voor de jachtbanngebieden klopt dit niet: daar wordt de bestandsregulering juist uitgebreid naar plaatsen waar dit tot nu toe uitgesloten was.

Lagere ingrijpdrempel tijdens de voortplantingsperiode. Tot nu toe kan het kanton tussen februari en mei alleen ingrijpen in een wolvenroedel bij een «ernstige en onmiddellijk dreigende gevaarzetting voor mensen», en dan zelfs zonder toestemming van het BAFU (art. 9c Jachtverordening). Het ontwerp verlaagt deze drempel naar een «gevaarzetting voor mensen» en definieert niet nader wanneer daarvan sprake is. Van een uitzondering voor acute noodgevallen zou zo een aanmerkelijk ruimer interventiegeval tijdens de werptijd worden.

Ook recreatieve jagers zouden tijdens de werptijd kunnen schieten. Het ontwerp voorziet dat de kantons maatregelen tegen roedelwolven niet alleen kunnen «gelasten», maar ook kunnen «toestaan»; in jachtbanngebieden is zelfs alleen sprake van «toestaan». Volgens art. 12 lid 2 van de jachtwet mogen met dergelijke maatregelen naast de toezichthoudende instanties ook jachtgerechtigden worden belast. Afschotten in roedels met welpen en in beschermde gebieden van de federale overheid zouden daarmee kunnen worden overgedragen aan recreatieve jagers.

Geen cijfers voor februari tot mei. Het toelichtend rapport onderbouwt de herziening met een "handelingsonmacht" tussen februari en mei. Het legt echter geen cijfers voor over hoeveel schade in deze maanden door roedelwolven ontstaat, hoe hoog deze is en in hoeveel gevallen deskundige kuddebescherming aantoonbaar is overwonnen. Zonder deze gegevens kan niet worden gecontroleerd of ingrijpen tijdens de werptijd überhaupt nodig is.

Wolf in banngebied "in beginsel gewenst". Het rapport beschrijft de jachtbanngebieden als «voorranggebieden voor de fauna». De aanwezigheid van de wolf zou daar «in principe gewenst» zijn, omdat hij door zijn jacht op hoefdieren buitensporige schade aan de bosverjonging tegengaat. Tegelijkertijd zou hij daar mogen worden afgeschoten als hij minstens tweemaal beschermde kudden aanvalt en daarbij in totaal aanzienlijke schade ontstaat.

Landbouwhuisdieren in beschermd gebied. In 30 van de 43 federale jachtbanngebieden worden volgens het rapport ongeveer 29.000 schapen gehouden, ongeveer 15 procent van alle schapen die in het berggebied worden gehouden, daarnaast zijn er circa 18.000 runderen en koeien. Het voorstel begint bij het afschot. Volgens IG Wild beim Wild zou het eerst moeten beginnen bij de begrazing in de beschermde gebieden.

Verdrag van Bern: uitzonderingsvoorwaarden ongetoetst. De Bondsraad onderbouwt de verenigbaarheid met de Berner Conventie met diens art. 7, dat «sluitingstijden» noemt als beschermingsmaatregel. Uitzonderingen op de beschermingsbepalingen vereisen volgens art. 9 van de conventie dat «er geen andere bevredigende oplossing» bestaat. Art. 9 wordt in het rapport niet besproken. Voor de openstelling van de jachtbanngebieden bevat het rapport bovendien helemaal geen eigen toetsing van de verenigbaarheid met de conventie.

Risico voor de roedelstructuur tijdens de opfok

De Wolfs-Hirten, een Graubündense wolvenbeschermingsorganisatie, wijzen in hun zeven pagina's tellende reactie op een biologisch verband. Ontbreken oudertdieren of ervaren roedelleden tijdens de opfok, dan groeien welpen op zonder stabiele sociale structuur en komen ze het jaar daarop als jaarlingen op de alpen terecht. De organisatie vreest dat afschot tijdens de werptijd zo latere conflicten in de hand werkt. Of het afschieten van roedelwolven in deze fase schade vermindert of op middellange termijn juist nieuwe schade veroorzaakt, wordt in het toelichtend rapport niet onderzocht.

Aanvallen in het voorjaar vinden bovendien vaak plaats op huis- en voorweiden vlak vóór de alpopdrift, waar de kuddebescherming vaak nog maar provisorisch staat. Vanuit het oogpunt van de Wolfs-Hirten en IG Wild beim Wild zou het een prioriteit moeten zijn om deze beschermingslacunes te dichten, in plaats van tijdens de werptijd in roedels in te grijpen.

De volksstemming van 2020

Op 27 september 2020 verwierp de bevolking een herziening van de jachtwet met 51,9 procent nee-stemmen. Bijzonder omstreden was destijds de uitbreiding van het afschot van beschermde soorten, met name de wolf. Sindsdien zijn meerdere van deze elementen stap voor stap opnieuw opgenomen, zowel op wetsniveau als op verordeningsniveau: preventieve regulering, roedelafschot, en nu de werptijd en beschermde gebieden. Elke deelherziening lijkt op zichzelf beperkt, maar bij elkaar opgeteld verschuift de bescherming van de wolf aanzienlijk.

Des te belangrijker is het dat zich in de raadpleging niet alleen boeren- en verenigingen voor recreatieve jacht uitspreken. Hoe nauw in het Bundeshaus directe betalingen en het wolvenbeleid met elkaar verbonden zijn, laat onze analyse zien Boeren in het parlement: hoge directe betalingen, harde lijn tegen de wolf. Meer achtergrondinformatie in het Wolf-dossier en in onze analyse van juni: Jachtbanngebieden openen, wolven het hele jaar door schieten? Waarom dit beleid onhoudbaar is.

Zo kunt u uw standpunt indienen

Aan een vernehmlassung mogen niet alleen kantons, partijen en verenigingen deelnemen, maar alle personen en organisaties. Elke inzending wordt in het resultatenrapport opgenomen.

  1. Documenten: Het wetsontwerp en het toelichtingsrapport zijn te vinden op de Persbericht van het UVEK. Het inzendadres staat in de begeleidende brief op de vernemlatingspagina van Fedlex.
  2. Termijn: 16 oktober 2026.
  3. Inhoud: Een korte inzending volstaat. Belangrijk is om ten aanzien van beide artikelen (art. 11 lid 5bis en art. 12 lid 2ter) duidelijk stelling te nemen, bij voorkeur met het verzoek tot schrapping, en dit kort te motiveren.
  4. Organisaties: De Wolfshirten bieden aan hun standpunt mede te dragen met het logo van andere organisaties, en stellen op verzoek tot 1 oktober een inbrengtekst over de beide artikelen beschikbaar (info@wolfshirten.ch).

IG Wild beim Wild dient een eigen standpunt in en verzoekt om schrapping van beide bepalingen.

Meer over recreatieve jacht: Wat het onderzoek daarover zegt, toont Jacht in de feitencheck: de stand van het onderzoek.

Het standpunt van IG Wild beim Wild: IG Wild beim Wild wijst de recreatieve jacht af. Ons voorbeeld is kanton Genève, dat sinds 1974 zonder recreatieve jacht functioneert: zonder jachttijden, zonder jachthonden, zonder drijfjachten, zonder hoogzitten, zonder de dierenmishandeling en de criminaliteit die elders bij het jachtseizoen horen. Wat daar al meer dan vijftig jaar werkt, weerlegt elk positiepaper van JagdSchweiz. Een organisatie die haar beleid baseert op beweringen die zij in haar eigen documenten zelf weerlegt, is geen vakorganisatie, maar een fabriek voor desinformatie.

Alle bijdragen worden geschreven door IG Wild beim Wild en door externe co-auteurs. Onderzoek, structurering en redactionele processen kunnen daarbij worden ondersteund door AI-gestuurde hulpmiddelen.

Ondersteun ons werk

Met jouw donatie help je dieren te beschermen en hun stem te laten horen.

Nu doneren →