Hoe het kanton Bern de gewetensvrijheid langs de jacht heen regeert
Wie het doden van dieren uit overtuiging afwijst, moet de hobbyjacht op eigen grond toch dulden. Een Bernse beslissing laat zien hoe Zwitserland achterblijft bij verschillende Europese landen, die ethische bezwaren van grondeigenaren al lang juridisch in aanmerking nemen.
Er is een vraag die in het Zwitserse jachtdebat bijna nooit wordt gesteld – en die op het eerste gezicht niet over dierenbescherming gaat.
Ze luidt: mag een mens gedwongen worden om op zijn eigen grond een praktijk te dulden die in strijd is met zijn diepste ethische overtuigingen?
Voor de hobbyjacht is het antwoord in bijna alle kantons tot op vandaag: ja.
De Bernse regeringsraad heeft dit standpunt recent bekrachtigd. In zijn antwoord op een parlementaire interpellatie over het jachtvrij verklaren van privégrond stelde hij vast dat het geldende systeem de grondrechten waarborgt. Een wettelijke regeling waarmee grondeigenaren de hobbyjacht op hun land om gewetensredenen zouden kunnen verbieden, wees hij af.
De beslissing is verhelderend. Niet primair vanwege wat ze zegt, maar vanwege wat ze weglaat.
De kern van het conflict: eigendom en geweten
De Regeringsraad baseert zijn afwijzing in wezen op een juridische vaststelling: de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de gedwongen bejaging berust op de bescherming van het eigendom volgens art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zwitserland heeft dit protocol wel ondertekend, maar nooit geratificeerd.
Dat is formeel juist. Zwitserland behoort samen met Monaco tot de weinige lidstaten van de Raad van Europa waarin het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM niet in werking is.
Daarmee is het conflict echter niet beantwoord. Het betreft eigendom en gewetensvrijheid tegelijk.
De tot nu toe richtinggevende uitspraken uit Straatsburg beoordeelden de gedwongen bejaging vooral aan de hand van de eigendomsbescherming. Voor Zwitserland komt daarom een andere, tot dusver niet definitief beantwoorde vraag centraal te staan: mag de staat mensen verplichten om op hun eigen grond een praktijk te dulden die in strijd is met hun diepgewortelde ethische overtuiging?
De vrijheid van godsdienst en gewetensvrijheid is in Zwitserland dubbel beschermd: door art. 15 van de federale grondwet en door art. 9 EVRM. Wie de jacht afwijst op grond van een diepgewortelde, serieuze en ethisch onderbouwde overtuiging, kan zich in beginsel op deze bescherming beroepen.
Dat betekent niet dat elke persoonlijke morele opvatting automatisch boven het staatsrecht gaat. Het betekent echter wel dat de staat een dergelijke overtuiging niet eenvoudigweg mag negeren. Voor zover het gedwongen dulden van de jacht als een inbreuk op de gewetensvrijheid moet worden gekwalificeerd, zou deze inbreuk op een wettelijke grondslag moeten berusten, een legitiem openbaar belang moeten dienen en proportioneel moeten zijn.
De Regeringsraad erkent in zijn antwoord zelf dat de ethische afwijzing van de jacht onder het beschermingsbereik van de gewetensvrijheid kan vallen. Juist daarom volstaat de verwijzing naar het niet-geratificeerde eigendomsprotocol niet.
Opmerkelijk is wat Bern op dit punt toegeeft en tegelijk terzijde schuift: of de plicht om jacht op eigen grond te dulden een toelaatbare inbreuk op de gewetensvrijheid vormt, heeft het EHRM in het geheel niet onderzocht, omdat er al sprake was van een schending van het eigendomsrecht.
Dat is juist – maar daaruit volgt niet dat de gewetensvrijheid geen rol speelt.
Het EHRM heeft artikel 9 EVRM in de tot nu toe richtinggevende zaken niet afzonderlijk beoordeeld, omdat de vastgestelde schending van het eigendomsrecht voldoende was voor het vonnis. De zelfstandige vraag welke eisen uit de vrijheid van gewetensovertuiging voortvloeien voor een gedwongen gedogen van de jacht, blijft daarmee voor een Zwitserse zaak open.
Meer over de grondrechtelijke samenhang in het dossier Jacht en mensenrechten.
Wat «niet rechtstreeks bindend» werkelijk betekent
De Regeringsraad schrijft dat de rechtspraak van het EHRM voor Zwitserland «niet rechtstreeks bindend» is. Ook dat is in strikte zin correct: een uitspraak tegen Frankrijk, Luxemburg of Duitsland vormt geen automatisch precedent voor een Zwitsers individueel geval.
Maar «niet rechtstreeks bindend» betekent niet «zonder gevolgen».
Artikel 9 EVRM is voor Zwitserland bindend verdragsrecht dat individueel kan worden ingeroepen. Kantons mogen geen recht toepassen dat onverenigbaar is met het EVRM. Een betrokken grondeigenares of een betrokken grondeigenaar zou daarom de kantonale rechtsgang kunnen uitputten en de vraag tot voor het Bondsgerecht kunnen brengen. Na uitputting van de nationale rechtsmiddelen zou een klacht bij het EHRM mogelijk zijn.
De uitspraken Chassagnou en anderen tegen Frankrijk van 1999, Schneider tegen Luxemburg van 2007 en Herrmann tegen Duitsland van 2012 laten zien dat grondeigenaren die de jacht op ethische gronden afwijzen, werden beschermd tegen een onevenredige gedwongen bejaging. Het EHRM stelde in deze zaken schendingen van de eigendomsbescherming uit artikel 1 van het Eerste Protocol vast. Voor Zwitserland zou vanwege het niet-geratificeerde protocol echter zelfstandig moeten worden opgehelderd welke beschermingsplichten uit artikel 9 EVRM voortvloeien.
Zwitserland is daarom geen bijzonder geval dat zich aan een Europese mensenrechtelijke ontwikkeling zou kunnen onttrekken. Het is eerder een achterblijver. De enige open vraag is of de kantons uit eigen beweging een wettelijke grondslag creëren of pas na een langdurige gerechtelijke procedure handelen.
Duitsland en Italië wijzen de weg
De Berner Regeringsraad voert aan dat een systeem van jachtvrije gebieden praktisch nauwelijks uitvoerbaar zou zijn. Het Berner bos is verdeeld over ongeveer 36’000 eigenaren. Een procedure voor het registreren en controleren van individuele aanvragen zou een nauwelijks te behappen werklast met zich meebrengen.
Dit argument wordt weerlegd door de praktijk in andere staten.
Duitsland koos de wettelijke weg. Na het arrest Herrmann tegen Duitsland voerde de wetgever met § 6a van de federale jachtwet (Bundesjagdgesetz) een procedure in voor de ethische jachtvrijverklaring (Befriedung). Natuurlijke personen kunnen aanvragen dat de jacht op hun gronden wordt stilgelegd, wanneer zij aannemelijk maken dat zij de jacht om ethische redenen afwijzen. De jachtvrijverklaring wordt door de bevoegde instantie verordend en geldt niet onbeperkt.
Zij betekent in het bijzonder niet dat op een terrein geen enkele vorm van overheidsoptreden inzake wilde dieren of gevarenbestrijding meer mogelijk zou zijn. De instantie kan een beperkte jachtuitoefening bevelen, wanneer dit bijvoorbeeld noodzakelijk is ter voorkoming van bovenmatige wildschade, bij dierziekten, om redenen van natuur- of dierenbescherming, voor de verkeersveiligheid of ter afwending van andere aanzienlijke gevaren.
Duitsland toont daarmee aan: gewetensvrijheid en wildbeheer laten zich juridisch met elkaar verbinden. Een ethische jachtvrijverklaring creëert geen rechtsvrije ruimte, maar een gecontroleerd evenwicht tussen individuele grondrechten en aantoonbaar noodzakelijke publieke belangen.
Italië laat een tweede weg zien: de grondrechtenconforme uitleg van het bestaande jachtrecht door de rechter.
De bestuursrechter van de regio Abruzzen, afdeling Pescara, besliste bij vonnis nr. 254/2026 van 11 mei 2026 dat ethische redenen een toelaatbaar argument kunnen zijn om de jacht op het eigen perceel uit te sluiten. Een instantie mag een dergelijke aanvraag niet zonder meer afwijzen. Zij moet integendeel objectief onderbouwen waarom juist het concrete terrein onmisbaar zou zijn voor de doelstellingen van het regionale wildbeheer- en jachtplan.
De rechter schiep geen volledig nieuw jachtrecht. Hij legde het bestaande recht uit in het licht van de grondrechten en van de rechtspraak van Straatsburg. Ethische en morele redenen mogen bij een aanvraag tot uitsluiting van een terrein niet van meet af aan als irrelevant worden behandeld.
De zaak is gedocumenteerd in het artikel Italië: rechter staat jachtverbod op eigen grond om ethische redenen toe.
Zwitserland beschikt tot op heden niet over een vergelijkbare, algemeen toegankelijke regeling. Het heeft noch een wettelijke procedure naar Duits voorbeeld ingevoerd, noch is de gewetenskwestie tot nu toe langs gerechtelijke weg opgehelderd.
Polen: jachtvrije percelen door middel van een verklaring
Polen laat zien dat ook een landsdekkend jachtsysteem juridisch veranderbaar is.
Na een uitspraak van het Poolse Constitutionele Hof uit 2014 werd de toenmalige indeling van particuliere percelen in jachtdistricten fundamenteel in twijfel getrokken. Het hof bekritiseerde dat grondeigenaren te weinig mogelijkheden hadden om zich te verzetten tegen de jacht op hun land. De Poolse discussie en rechtspraak verwezen daarbij ook naar de uitspraken van Straatsburg over gedwongen bejaging.
Sinds een hervorming in 2018 kunnen natuurlijke personen bij de bevoegde lokale autoriteiten verklaren dat er op hun perceel niet gejaagd mag worden. Het perceel blijft wel deel uitmaken van het jachtdistrict. Het mag bijvoorbeeld worden betreden voor een noodzakelijke nazoek. De uitoefening van de jacht en het schieten op het terrein zijn echter in principe verboden.
Polen koos daarmee voor een ander model dan Duitsland. Waar Duitsland een bestuurlijke procedure kent waarbij ethische redenen aannemelijk moeten worden gemaakt, biedt Polen een verhoudingsgewijs laagdrempelige mogelijkheid tot verklaring. Ook dit model heeft zijn grenzen, onder andere omdat rechtspersonen zoals dieren- of natuurbeschermingsorganisaties niet dezelfde rechten kunnen doen gelden. Het uitgangspunt is desondanks duidelijk: grondeigenaren hoeven de jacht op hun land niet zonder uitzondering te dulden.
Meer daarover in het artikel Polen: steeds meer jachtvrije percelen.
De 100-meterregel beschermt huizen, geen gewetens
Als bewijs voor een al bestaande bescherming verwijst de Berner regeringsraad naar het jachtverbod binnen een straal van 100 meter rond permanent bewoonde gebouwen.
Die verwijzing gaat voorbij aan de kern van de zaak.
De regeling is een plaatselijk veiligheidsvoorschrift. Zij beschermt bewoners en gebouwen tegen bepaalde gevaren van de jachtuitoefening. Zij geeft een grondeigenares echter geen enkel individueel recht om de jacht op haar land om ethische redenen te verbieden.
Daar komt bij: de 100-meterregel geldt niet absoluut. Zij vervalt wanneer bos, bosachtige beplanting of een het zicht belemmerende heg tussen het gebouw en de jachtgerechtigde persoon ligt. Voor bepaalde diersoorten kan de jacht met toestemming van de bewoners zelfs binnen de grens van 100 meter toegestaan zijn.
Een bord met het opschrift «Jagen verboden» geeft een grondeigenaar in het kanton Bern volgens het huidige jachtrecht geen individueel, afdwingbaar recht om de jacht op gewetensgronden van het eigen perceel te weren.
Precies daarin ligt het verschil met de procedures in Duitsland, Italië of Polen: daar moeten overheden en rechters de persoonlijke ethische afwijzing van de jacht ten minste juridisch toetsen. Bern verwijst daarentegen naar een gebouwenbescherming die het gewetensbezwaar van de betrokken persoon niet beschermt.
Een blik richting Genève
De regering verdedigt het «bewezen milizsysteem» met het argument dat een professionele oplossing duurder zou zijn en geen zichtbaar extra nut zou opleveren.
Het kanton Genève laat zien dat het ook anders kan.
Na een volksstemming voerde Genève in 1974 een algemeen jachtverbod op zoogdieren en vogels in. Sindsdien wordt de private jacht niet meer via jachtpatenten georganiseerd. Taken zoals monitoring van wilde dieren, schadepreventie, toezicht op beschermde gebieden en – waar nodig – gerichte interventies worden door overheidsspecialisten uitgevoerd.
De bevoegde kantonale wildinspecteur bestempelde dit model publiekelijk als kostengunstig. De kantonale directeur biodiversiteit verklaarde dat een jachtverbod een middel kan zijn om de biodiversiteit te bevorderen. Of en onder welke voorwaarden het Genevese model op andere kantons overdraagbaar is, zou Bern aan de hand van eigen gegevens over oppervlakte, personeel en wilde dieren moeten onderzoeken.
Voor de hier centrale vraag volstaat echter een eenvoudige constatering: een Zwitsers kanton kan de private hobbyjacht afschaffen en taken rond wilde dieren door overheidsspecialisten laten organiseren.
Meer daarover in de Tages-Anzeiger en in het dossier Genève en het jachtverbod.
Waar het werkelijk om gaat
Het Bernse besluit geeft geen antwoord op de mensenrechtelijke vraag, maar verschuift die.
Dat de eigendomsbescherming van het Eerste Aanvullend Protocol in Zwitserland niet geldt, ontslaat het kanton niet van de plicht om de gewetensvrijheid volgens art. 9 EVRM serieus te toetsen.
De beslissende vraag is niet of elk afzonderlijk perceel aan de jacht onttrokken kan worden. De vraag is of de staat voor mensen met een gefundeerde ethische afwijzing van de jacht een proportionele procedure moet creëren – een procedure die de gewetensvrijheid beschermt en tegelijk concreet aangetoonde belangen van de bescherming van wilde dieren, de natuur, de dierziektebestrijding en de veiligheid meeweegt.
Duitsland laat zien hoe zo'n evenwicht wettelijk kan worden georganiseerd. Italië laat zien dat rechters ethische bezwaren serieus kunnen nemen bij de uitleg van het bestaande jachtrecht. Frankrijk en Luxemburg bewijzen dat de gedwongen bejaging op grond van ethisch bezwaarde grondeigenaren bij het EHRM geen stand hield. Polen laat zien dat zelfs een landsdekkend jachtsysteem via het grondwettelijk recht en wetgeving kan worden gecorrigeerd ten gunste van particuliere grondeigenaren.
Bern kan deze vraag nog altijd open laten. Daarmee is ze echter niet van de baan.
LATEN WE IN CONTACT BLIJVEN!
We sturen je graag het laatste nieuws en onze aanbiedingen via de nieuwsbrief.
Steun ons werk
Met jouw donatie help je dieren te beschermen en hun stem te laten horen.
Doneer nu →