20 augustus 2026, 12:07

Zoeken

Dierenrechten

Vier damherten doodgeschoten in dierenpark Königsfelden: waarom geen herplaatsing?

Het dierenpark van de Psychiatrische Diensten Aargau plaatste in het verleden overtollige bokken over naar andere parken of fokkers. Dit keer werden jonge dieren gedood. Onduidelijk blijft waarom er geen onderkomen werd gevonden.

Redactie Wild beim Wild — 20 augustus 2026

Op het terrein Königsfelden in Windisch, de hoofdlocatie van de Psychiatrische Diensten Aargau (PDAG), bevindt zich een sinds ongeveer negentig jaar bestaand hertenpark.

De kudde damherten is een attractie van het openbaar toegankelijke parkgebied, dat als recreatiegebied wordt gebruikt en regelmatig wordt bezocht. Volgens meerdere personen werden dinsdagochtend vier mannelijke dieren in het gehege doodgeschoten. De PDAG heeft op verzoek bevestigd dat er jonge bokken werden gedood. Het exacte aantal en het precieze tijdstip berusten nog steeds op de beschrijvingen van de betrokkenen.

De zaak werd aanvankelijk openbaar gemaakt door de Verein gegen Tierfabriken Schweiz (VgT), die de berichten van betrokkenen op zijn Facebook-pagina verspreidde. De post stuitte op brede weerklank. De VgT wees er zelf op dat de gebruikte afbeelding een symbolische foto uit een ander dierenpark was. Ook de VgT beschikte dus niet over beeldmateriaal van het concrete voorval; de melding berust op dezelfde berichten.

Petitie

Geen lynxafschot in Wallis

De lynx zit genetisch aan zijn limiet, en toch zou hij als eerste kanton van Zwitserland worden vrijgegeven voor afschot.

Onderteken nu →

De PDAG verklaart in het algemeen dat een regulering van de populatie «van tijd tot tijd onvermijdelijk» is en plaatsvindt met inachtneming van de wettelijke voorschriften door geschoold vakpersoneel. Alle afdelingen zouden vooraf worden geïnformeerd. De kliniek betreurt het «wanneer de aankondiging van de actie bij patiënten tot onzekerheid heeft geleid».

De vroegere herplaatsingspraktijk roept vragen op

Christian Egloff, verantwoordelijk voor het hertenpark en hoofd van de kwekerij op de PDAG-locatie, verklaarde enkele jaren geleden tegenover de «Aargauer Zeitung» dat mannelijke dieren telkens eenmaal per jaar aan andere dierenparken of particuliere fokkers worden doorverwezen. Als reden noemde hij de uitgesproken hiërarchie binnen de kudde: zonder scheiding kunnen er tussen jonge mannetjes en het leidende dier gevechten om de vrouwtjes ontstaan.

Dat doorverwijzing in principe mogelijk is, toonde het park ook bij het half-albinotische damhert «Fridolin». Het jarenlang bekende dier werd niet gedood, maar afgestaan aan een particuliere hertenfokker in het kanton Bern. De geïnteresseerde bezocht Fridolin vooraf in Königsfelden. Omgekeerd bezichtigde Egloff het Berner verblijf om te controleren of het aan de eisen voldeed. Voor het zeldzame witte hert kwam afschot «duidelijk» niet in aanmerking, verklaarde Egloff destijds.

Daarmee rijst de voor de hand liggende vraag: als de doorverwijzing naar parken en fokkers in het verleden werd benut en in het geval van Fridolin zorgvuldig werd voorbereid, waarom kon voor de nu gedode jonge bokken geen onderkomen worden gevonden?

Planbare nakomelingen, planbare bestandskwestie

Het overschot aan mannetjes is geen verrassende ontwikkeling, maar een voorspelbaar gevolg van het houden van een voortplantingsvatbare kudde. Bij damwild worden regelmatig nakomelingen geboren. Een deel van de jongen is mannelijk, en voor deze bokken ontstaat volgens de exploitant regelmatig een plaatsprobleem binnen de bestaande kudde.

De bestandskwestie is dus structureel van aard. Wie een voortplantingsvatbare kudde in een openbaar toegankelijk park houdt, neemt verantwoordelijkheid voor de voorspelbare gevolgen: voor vrouwelijke en mannelijke jongen, voor de sociale samenstelling van de kudde en voor de langetermijnplanning van ruimte, afgifte en voortplantingsregulering.

Vanuit ons oogpunt is het doden van dieren geen aanvaardbare vorm van populatiebeheer. Wie een voortplantingsvatbare kudde houdt, draagt de verantwoordelijkheid om tijdig diervriendelijke en geweldloze oplossingen te plannen en uit te voeren. Daartoe behoren met name de vooruitziende voortplantingssturing, de tijdige overplaatsing naar geschikte en gecontroleerde houderijen, alsook een transparant concept voor de langetermijnontwikkeling van de populatie. De PDAG moet openbaar maken welke van deze mogelijkheden in het geval van Königsfelden zijn onderzocht, waarom deze in voorkomend geval niet zijn uitgevoerd en waarom desondanks het doden van jonge bokken plaatsvond.

De kwestie van de voortplantingssturing

In het publieke debat wordt regelmatig gevraagd waarom de voortplanting in een gesloten omheining niet door castratie of andere maatregelen wordt gestuurd, in plaats van regelmatig overtollige dieren te produceren. Deze vraag is terecht en hoort op tafel.

Tegelijkertijd is de voortplantingssturing bij damherten in kuddehouderij vakinhoudelijk niet triviaal. Ingrepen kunnen de geweicyclus en het sociaal gedrag van de bokken beïnvloeden. Dat ontslaat de exploitant echter niet van een transparante afweging. Bij een damhertenhouderij die al decennia bestaat, mag verwacht worden dat opties systematisch worden onderzocht en dat de redenen voor of tegen afzonderlijke maatregelen navolgbaar worden vastgelegd.

Open blijft daarom: welke voortplantingssturende mogelijkheden heeft de PDAG onderzocht? Werd een tijdelijke of blijvende scheiding van dieren overwogen? Welke gevolgen zou castratie van afzonderlijke bokken hebben voor het dierenwelzijn en de groepsdynamiek? En waarom werden mogelijke alternatieven in voorkomend geval verworpen?

Een plek van rust waar schoten vallen

De afschietingen vonden plaats op het terrein van een psychiatrische kliniek. Dat is geen bijzaak. Het terrein Königsfelden is openbaar toegankelijk en wordt gebruikt door omwonenden, gezinnen, wandelaars en patiënten. Het hertenpark hoort al decennia bij het beeld van deze plek.

Geweerschoten op dieren in een openbaar toegankelijk kliniek- en recreatiegebied roepen daarom bijzonder grote vragen op over toelaatbaarheid, communicatie en de bescherming van patiënten en bezoekers. Dat afdelingen vooraf zouden zijn geïnformeerd, is relevant. Het beantwoordt echter niet de vraag of de aanleiding, de vorm en de gevolgen van een dergelijke actie voor bijzonder kwetsbare mensen voldoende in aanmerking zijn genomen.

Voor patiënten die klinisch worden behandeld, kan de omgeving buiten de gebouwen een bijzondere betekenis hebben. Dieren en het park kunnen deel uitmaken van een gestructureerde dagindeling, een wandeling of een persoonlijke plek om zich terug te trekken. Wanneer een exploitant bewust een wildpark in een dergelijke omgeving integreert, draagt hij een verhoogde verantwoordelijkheid: voor de bescherming van de dieren, voor gevoelige communicatie en voor een zorgvuldige afweging van alternatieven.

Een controversieel stemmingsbeeld

De reacties op de sociale media laten de volle breedte van het debat zien. Veel mensen uitten verdriet en onbegrip over het feit dat er voor de bokken kennelijk geen plekken waren gevonden. Zij bekritiseerden dat een afschot in het wildpark misschien de meest praktische, maar niet noodzakelijkerwijs de enige oplossing was.

Anderen wezen op de realiteit van het houden in wildparken. In een gesloten kudde moet de populatie worden gereguleerd. Een afschot ter plaatse zou voor de dieren minder stress kunnen betekenen dan een transport. Bovendien zou het tegenstrijdig zijn om te argumenteren tegen het doden van dieren in wildparken en tegelijkertijd vlees te consumeren.

Weer anderen richtten hun blik vooral op de locatie. Zij bekritiseerden dat psychisch belaste mensen in een kliniekgebied met een dergelijke actie geconfronteerd zouden kunnen worden.

Deze uiteenlopende reacties tonen aan: het geval is geen eenvoudig onderwerp van verontwaardiging. Het raakt de fundamentele vraag of en hoe wilde dieren in wildparken gehouden zouden moeten worden en wie de verantwoordelijkheid draagt voor de voorzienbare gevolgen van dat houden.

Geen EU-verordening verklaart het afschot

In de discussie over het geval werd herhaaldelijk beweerd dat een nieuwe EU-verordening de gehouden herten als invasief zou classificeren en het houden ervan zou verbieden. Daarom zou het doden noodzakelijk zijn geweest. Deze voorstelling berust op een verwarring.

De Europese Unie heeft het sikahert (Cervus nippon) op 7 augustus 2025 opgenomen in de Unielijst van invasieve uitheemse soorten. Daarmee gelden in de EU-lidstaten in beginsel beperkingen voor het houden, fokken, invoeren, verkopen en vrijlaten. Voor reeds gehouden dieren kunnen bijzondere overgangs- en uitzonderingsregelingen relevant zijn.

In Königsfelden worden echter geen sikaherten gehouden, maar damherten (Dama dama). Damwild staat niet op de Unielijst van invasieve soorten. Voor damherten bestaat daarom geen overeenkomstig EU-houdverbod. Zwitserland is bovendien geen lid van de Europese Unie; de regelgeving daarvan geldt hier niet rechtstreeks.

Het EU-debat levert dus geen verklaring voor het doden van de damherten in Königsfelden. Doorslaggevend blijft de concrete beslissing van de exploitant: Is de bemiddeling tijdig en volledig geprobeerd, en zijn alle redelijke alternatieven onderzocht?

Ongeveer 13.000 herten leven in Zwitserse landbouwgehegen, overwegend damherten

In Zwitserland worden op 325 landbouwbedrijven ongeveer 13.000 herten gehouden. Met 10.487 dieren vormt damwild bijna vier vijfde van dit bestand. Het houden van herten dient overwegend de vleesproductie en de directe afzet.

De openbare statistiek toont vooral bestandscijfers, niet de jaarlijkse aan- en afvoer van afzonderlijke diersoorten. Daarmee blijft in het duister hoeveel damherten in landbouwgehegen, dierentuinen of andere houderijen jaarlijks door afschot of slacht sterven. Sommige bedrijven doden de dieren direct op de weide; de daaropvolgende verkoop verloopt vaak via slagerijen, horeca of rechtstreeks vanaf de boerderij.

Het antwoord van de PDAG

De PDAG heeft op verzoek geantwoord. De reactie valt beknopt uit. De dieren zouden «reeds vakkundig zijn onttrokken». Het zou gaan om jonge bokken, «waarvoor geen andere onderbrenging of bemiddeling gevonden kon worden». De exploitatie van het hertenpark verloopt al lang met grote zorgvuldigheid en met inachtneming van alle wettelijke voorschriften inzake dierenwelzijn en openbare orde. Het afschot zou in overleg met de bevoegde veterinaire dienst hebben plaatsgevonden.

Daarmee bevestigt de PDAG officieel dat jonge mannelijke dieren zijn gedood en dat volgens haar voorstelling geen herplaatsing mogelijk was. Onduidelijk blijft echter welke dierentuinen, fokkers of andere geschikte instanties concreet werden aangeschreven, over welke periode een zoektocht naar plekken liep en waarom de eerder gedocumenteerde herplaatsingspraktijk deze keer geen succes had.

Eveneens onduidelijk blijft welke mogelijkheden van voortplantingsbeheersing werden onderzocht, waarom bepaalde opties werden verworpen en op welke concrete vakinhoudelijke grondslag het doden als noodzakelijk werd beschouwd.

Het doden van hertenkampwild kan onder bepaalde voorwaarden juridisch toelaatbaar zijn. Damherten zijn volgens het Federaal Bureau voor Voedselveiligheid en Veterinaire Aangelegenheden in principe geschikt voor het houden in een gehegehouderij; ook een afschot is daarbij aan duidelijke voorschriften onderworpen. De juridische toelaatbaarheid beantwoordt echter niet de ethische en organisatorische vraag of herplaatsing en langdurig populatiebeheer in het concrete geval voldoende zijn benut.

De PDAG heeft verklaard dat er geen andere onderkomen was gevonden. Zij heeft tot dusver niet uiteengezet waarom de bestaande herplaatsingswegen niet werkten. Deze transparantie is noodzakelijk, tegenover het publiek, de mensen op het kliniekterrein en de dieren, van wie het leven van dergelijke beslissingen afhangt.

LATEN WE IN CONTACT BLIJVEN!

We willen je graag het laatste nieuws en de nieuwste aanbiedingen in de nieuwsbrief toesturen.

Steun ons werk

Met jouw donatie help je dieren te beschermen en hun stem gehoor te geven.

Doneer nu