Geen openbaar belang rechtvaardigt de hobbyjacht
In het kader van een hoorzitting over de jachtvrijstelling van percelen in Oostenrijk beantwoordde Prof. Dr. Josef Reichholf enkele vragen.
1. Welke gevolgen heeft de jacht voor het ecologische evenwicht? Hoe waarborgt de jacht de openbare belangen van biodiversiteit, soortenrijkdom en het voorkomen van wildschade?
Het ecologische evenwicht is een voorstelling die de jagers zelf ontwikkelen over welke wildsoorten in welke populatiegroottes in hun jachtgebieden zouden moeten leven. Dit heeft weinig tot niets te maken met een dynamische natuurlijke toestand die zich zonder jachtinterventies zou vormen (wat meestal wordt bedoeld met de uitdrukking “ecologisch evenwicht”). Want er liggen gebruiksbelangen aan ten grondslag, en niet een zoveel mogelijk zichzelf regulerende natuur.
Als gevolg hiervan hebben natuurbeschermers andere voorstellingen van het ecologische evenwicht dan jagers. De toestand die zich zonder gebruiksgerichte ingrepen van jagers instelt, komt in elk geval dichter bij een natuurlijk ecologisch evenwicht dan een toestand die door jachtbelangen wordt gestuurd.
De openbare belangen met betrekking tot biodiversiteit, in het bijzonder soortenrijkdom, verschillen sterk wat betreft de bejaagbare soorten en hun frequentie. Want deze worden door jagers zodanig gestuurd dat de populaties van het nuttige wild zo groot mogelijk zijn en blijven, terwijl de soorten die in het jagersjargon “roofwild” en “roofgoed” worden genoemd, zijn gedecimeerd tot lokaal/regionaal of grootschalig uitgeroeid, of worden verhinderd zich weer uit te breiden (lynx, wolf, bruine beer wat betreft de terugkeer; vos, marterachtigen en grotere/grote roofvogels alsook kraaiachtigen wat betreft de frequentie).
De soortensamenstelling en frequentie van de verschillende wildsoorten wijken daarom in praktisch elk jachtgebied fundamenteel af van een toestand die zich zonder bejaging zou instellen. Daarbij komt dat de bejaging de betrokken soorten, alsook vergelijkbare maar volledig beschermde soorten, (zeer) schuw maakt, zodat ze voor het publiek nauwelijks/slecht of alleen op grotere afstand te observeren en te beleven zijn. Jacht maakt wild schuw.
Dit heeft ook gevolgen voor de ecologische effecten van de aldus schuw gemaakte soorten: de meerderheid (zoogdieren; in jagerstaal: haarwild) probeert door overwegend nachtelijke activiteit aan de jachtvervolging te ontsnappen. Dit leidt tot een sterk verhoogd risico op wildongevallen, wanneer de dieren in de late schemering en ’s nachts wegen oversteken. Delen van de mogelijke leefgebieden van de bejaagde haarwild- en vogelsoorten kunnen door de overmatige schuwheid van deze dieren niet worden benut. Dit maakt zeldzame soorten enerzijds nog zeldzamer en bevordert anderzijds wildschade doordat het wild zich verzamelt in zones met weinig verstoring. Veel jagers proberen dergelijke zones in te richten met behulp van bijvoeren/lokvoedering.
Wildschade die verder gaat dan onbeduidende schade wordt veroorzaakt door de jachtkundig gekoesterde “hoefdiersoorten” (wild zwijn, ree, edelhert en lokaal enkele andere soorten), waarvan de populaties ofwel als gevolg van directe beheersmaatregelen (bijvoeren, vooral in de winter; regulerende afschot ter verbetering van de populatie enz.) te hoog zijn (→ het hoefdierprobleem, al decennia onopgelost, omdat de populaties op een hoog niveau blijven doordat ze door jachtmaatregelen daar gehouden worden), of, zoals in het geval van het wild zwijn, op grote schaal profiteren van de massale uitbreiding van de maisteelt (mais = varkensvoer) en er in de cruciale periode van sterke groei van de wildzwijnpopulaties veel te weinig afschot was, omdat na de kernramp van Tsjernobyl hun vlees te sterk radioactief besmet was. De jacht probeert wel via afschotplanning het hoefdierprobleem onder controle te krijgen, maar blijkbaar onvoldoende, aangezien dit probleem ook na decennia allesbehalve is opgelost.
De soortenrijkdom is daarentegen toegenomen bij die soorten/groepen die in het recente verleden van de jacht zijn uitgesloten en onder bescherming zijn geplaatst, zoals bij de (grotere/grote) roofvogels (arenden, grote valken), reigers en enkele andere soorten. Zonder de beschermde status op EU-niveau had de wolf geen kans op terugkeer gehad. Het lot van de lynx of de terugkerende goudjakhals hangt niet af van de geschiktheid van het cultuurlandschap voor deze soorten, maar van de vraag of jagers hen laten overleven. De wijdverspreide afwijzing van de terugkeer van “grote predatoren” en de zeer vaak volkomen ongerechtvaardigde afschot van honden en katten drukken heel duidelijk uit dat het jachtdoel niet het voorkomen van wildschade of het reguleren van wildpopulaties op het ecologisch juiste niveau is.
Afgezien van de gewinning van wildvlees en, in individuele gevallen, bijzondere afschotmaatregelen, is er dus geen openbaar belang dat de jacht zou moeten dienen. Zelfs het verminderen of voorkomen van wildschade, waar grondeigenaren om vragen, lukt in het Oostenrijkse en Duitse jachtgebiedsysteem klaarblijkelijk lang niet zo goed als beoogd.
2. Welke gevolgen zou de door de klagers beoogde niet-bejaging en stopzetting van wildbeheermaatregelen hebben voor de hierboven genoemde openbare belangen? Welk verschil bestaat er daarbij tussen een grootschalige niet-bejaging die het gehele leefgebied van wilde dieren omvat, en een “eilandachtige” niet-bejaging die slechts afzonderlijke percelen betreft?
De niet-bejaging van afzonderlijke percelen en het stopzetten van wildbeheermaatregelen daarop hebben met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen gevolgen voor de openbare belangen, zeker wanneer de percelen “eilandachtig” in het landschap liggen. Integendeel: openbare belangen kunnen worden bevorderd door afnemende schuwheid van wilde dieren op deze percelen, wat geïnteresseerde mensen de mogelijkheid biedt om inheemse dieren te beleven. Zelfs op grotere onbejaagde gebieden treden niet automatisch problemen op. Dat bewijzen de omstandigheden in grote steden (Berlijn geldt als “hoofdstad van de wilde zwijnen”, maar ook als “hoofdstad van de nachtegalen”) in het algemeen, waar bijvoorbeeld vossen gewoon overdag actief zijn en zich nauwelijks anders gedragen dan vrij rondlopende huiskatten, alsook de weinige natuurbeschermingsgebieden die bij ons volledig jachtvrij zijn (bijv. NSG Hagenauer Bucht bij Braunau am Inn; een grootschalig eilandachtig gebied met landverbinding), of, op veel grotere schaal in Midden-Europa, het Zwitserse Nationaal Park (al meer dan 100 jaar jachtvrij) en het jachtvrije kanton Genève.
Het vaak aangevoerde argument dat een stopzetting van de jacht in een dichtbevolkt cultuurlandschap niet mogelijk zou zijn, wordt weerlegd door de situatie in India met dezelfde of nagenoeg identieke wildsoorten als die ook bij ons voorkomen. Dat meer dan een miljard mensen praktisch zonder jacht op wilde dieren met hen kunnen samenleven, drukt heel duidelijk uit dat het aan de fundamentele instelling van de bevolking ligt of er überhaupt wordt gejaagd, en zo ja, waar en hoe.
De nagestreefde jachtvrijstelling van privépercelen maakt het bovendien mogelijk om objectief te controleren hoe wilde dieren in hun voorkomen en frequentie hierop reageren. Dat kan alleen in het belang van de jacht zijn, als deze daardoor bewijzen krijgt voor haar standpunt over de effecten van de vrijstelling. Jachtpolitiek gezien zouden zulke testgebieden dus juist wenselijk moeten zijn.
3. Welke invloed heeft wild op land- en bosbouwgewassen? Vanaf welke frequentie en ernst spreekt men van wildschade? Hoe ziet de wildinvloed en de wildschadesituatie in Neder-Oostenrijk eruit?
De invloed van hoefdieren op land- en bosbouwkundige gewassen laat zich niet in het algemeen vaststellen, ook niet aan de hand van de zogenaamde wilddichtheid, die meestal niet meer is dan een grove schatting. Plaatselijke omstandigheden en veranderingen (zoals de enorme uitbreiding van de maisteelt in Duitsland in de afgelopen decennia tot 2,5 miljoen hectare) beïnvloeden te sterk de aantrekkelijkheid van de gebieden voor het wild en de schuwheid ervan, respectievelijk wat de vaak in bossen liggende rustzones te bieden hebben. De door intensieve jacht vergrote schuwheid versterkt de wildvraat in het bos. Dat hebben bijvoorbeeld de omstandigheden in het Noordoost-Duitse heuvelland van de «Brohmer Berge» (Vorpommern) van de Deutsche Wildtier Stiftung aangetoond, waar de jacht sterk is teruggebracht om de inheemse wilde dieren beleefbaar te maken.
Wat de specifieke omstandigheden in Neder-Oostenrijk betreft: in het algemeen geldt dat wildbestanden verschillend uitwerken op open velden en bossen. Onbejaagde gebieden zouden door het wild geprefereerd moeten worden en zouden zo onder omstandigheden zelfs de wildschade in de omgeving kunnen verminderen. Wie op zijn grond geen jacht wil hebben, draagt onvermijdelijk de gevolgen van mogelijk daardoor verhoogde wildschade. Anderzijds moet echter opnieuw worden verwezen naar de van de jacht uitgesloten dorpen en steden, waar zich duidelijk geen verhoogde wildschade voordoet, ook niet door de door jagers bijzonder bestreden roofwildsoorten zoals vos en marter. Zo leven er in München vijf- tot tienmaal zoveel vossen en marters per vierkante kilometer (onbejaagde) stadsoppervlak als in de bejaagde omgeving van Oberbayern. Volgens talrijke berichten geldt iets soortgelijks voor Wenen (en voor alle grote steden in Midden-Europa). De sterk verminderde vos- en marterpopulaties buiten in het bejaagde gebied hebben tot gevolg dat muizen zich sterker kunnen vermeerderen en daardoor het aantal teken sterk kan toenemen. Dat vossen, marters en roofvogels zoals buizerds van muizen leven en dat de intensieve jacht op deze predatoren dus in het voordeel van de muizen werkt, wordt in jagerskringen kennelijk niet meegewogen. Zoals langjarig eigen onderzoek heeft uitgewezen, hangt de tekenfrequentie nauw samen met de muizenfrequentie in bossen. Dat heeft dan zelfs gevolgen voor de gezondheid van mensen (borreliose, TBE-virusfevers).
Wildschade aan landbouwgewassen kan door daartoe geschoolde en voldoende objectieve deskundigen behoorlijk nauwkeurig worden vastgesteld. Een 100 procent vrijwaring van productieverliezen door in het wild levende dieren bestaat niet. De sociale gebondenheid van eigendom veronderstelt dat in het belang van de gemeenschap ook wilde dieren in het cultuurlandschap moeten kunnen leven, en dat in aantallen die beleefbaar zijn. Dienovereenkomstig is ook de methode om wildschade in het bos vast te stellen, vakinhoudelijk zeer omstreden. Ten eerste betreft het bij het overgrote deel van de bossen geen natuurbos, maar aangeplant bosbouwareaal, waarvan de boomsoorten geenszins altijd, vaak zelfs maar in beperkte mate, overeenkomen met de standplaatsgeschikte omstandigheden. Een ontwikkeling die natuurlijke verjonging toelaat, verdraagt echter aanzienlijk meer wildvraat dan in rijen geplante, niet-inheemse boompjes. In elke natuurlijke verjonging gaan bijna alle van de tienduizenden jonge boompjes (spruiten) door onderlinge concurrentie te gronde. Wildvraat heeft daarop nauwelijks invloed.
Dat bewijzen de op grote oppervlakten volledig aan zichzelf overgelaten boombestanden op de eilanden en aanwassen in de stuwmeren aan de lage Inn (Oberösterreich & Beieren), die inclusief bevers en hun activiteiten opgroeien als echte oerbossen. Maar waar afzonderlijke dennen worden nageplant in sparren- of beukenbossen, leidt al een niet-bejaagbaar geringe reeënpopulatie tot verbisverliezen. Een schematische vaststelling doet daarom geen recht aan de omstandigheden en ontwikkelingen in de natuur.
Er kan echter worden aangenomen dat de naast de dorpen ontstaande, eilandachtig onbejaagde gebieden in dit opzicht geen verandering teweegbrengen. Want deze dienen te worden beoordeeld in verhouding tot de totale, niet-bejaagde oppervlakte die in de regio aanwezig is.
4. Welke externe factoren beïnvloeden de wildinvloed respectievelijk de wildschadesituatie? Door welke maatregelen zou wildschade, gezien deze factoren en binnen de – door het toenemende gebruik van de natuur door de mens – beperkte leefomgeving van het wild, zo goed mogelijk voorkomen respectievelijk verminderd kunnen worden?
Uit de uiteenzetting bij punt 3 blijkt al dat wildvraat en de daardoor veroorzaakte schade zich niet eenvoudig laten afleiden uit de omvang van de betreffende wildpopulaties. Daar komt nog een gegeven bij dat in dit punt terecht mede wordt genoemd, namelijk het "toenemende gebruik van de natuur door de mens". Daarmee worden de daarvan uitgaande verstoringen van het wild bedoeld, dat geen rust meer vindt. De vrijetijds- en recreatiedruk dringt door tot in de laatste uithoeken van bossen en bergen. Toch – en dat moet nadrukkelijk worden benadrukt – zijn de daardoor veroorzaakte verstoringen een gevolg van de schuwheid die door de jacht is veroorzaakt. Dat bewijzen opnieuw de wilde dieren in de grote steden (en in grote regio's zoals India) en het zogenaamde nationaalparkeffect. Het sterkste contrast met de (in feite niet) "normale schuwheid" van wilde dieren biedt het militaire oefenterrein. Waar oorlog wordt gespeeld, maar niet scherp op de dieren wordt geschoten, gaat het hen het best. De militaire oefenterreinen overtreffen wat betreft belang voor de soortenbescherming bij ons ruimschoots de natuurbeschermingsgebieden.
De hoge gevoeligheid voor verstoring van hoefdieren vergroot daarentegen het risico op ernstige wildschade, doordat een te groot deel van de vrije natuur wordt blootgesteld aan verstoringen die het wild dwingen tot frequente vluchtreacties en concentratie op enkele plekken. Talrijke jachtterreinhouders deelden in gesprekken mee dat zij hun wild gericht proberen te lokken (met bijvoeren/lokvoer) naar plekken die niet worden verstoord. Verminderde schuwheid zou de voedselopname sterker over het gebied verspreiden en zo de wildschade verminderen.
«Het zou verhelderend zijn om vast te stellen hoe de omstandigheden zich ontwikkelen wanneer er in de vrije natuur gebieden zijn die niet worden bejaagd.»
Ondersteun ons werk
Met jouw donatie help je dieren te beschermen en hun stem te laten horen.
Nu doneren →