19 juni 2026, 08:39

Zoeken

De bever

De bever (Castoridae) is het op een na grootste levende knaagdier.

Bevers geven de voorkeur aan zoetwatermeren, vijvers, rivieren en beken in de buurt van bossen. Deze verbazingwekkende dieren behoren tot de weinige soorten die in staat zijn hun omgeving opnieuw vorm te geven, en passen die aan hun behoeften aan door het bouwen van dammen, kanalen en burchten. Ze leven altijd in de buurt van water. Daarbij wordt een oeverstrook gebruikt die niet verder dan ongeveer 20 meter van het water reikt. Aan de oever bouwen ze uit afgeknaagde takken en twijgen en uit modder hun burcht of – als er grond is waarin gegraven kan worden – een woonpijp. Doorgaans ligt de ingang onder het wateroppervlak. Valt de burcht droog, dan wordt hij verlaten, omdat vijanden er anders toegang toe zouden hebben.

Interessante feiten:

  • De bever kan tot 1,40 m lang en 11–30 kg zwaar worden. Vrouwtjes zijn zwaarder dan mannetjes. Beide zien er erg vergelijkbaar uit.
  • Zijn bruine vacht is met 23’000 haren per vierkante centimeter (mens: tot 600 haren per vierkante centimeter) zeer dicht, en beschermt tegen vocht en afkoeling. De vacht wordt regelmatig gereinigd en verzorgd met een vetbevattend afscheidingsproduct, het bevergeil (castoreum).
  • Het lichaam is achteraan duidelijk dikker dan vooraan en staat op korte poten.
  • Bevers hebben een ongeveer 25 cm lange en platte staart. Hij wordt gebruikt om te zwemmen en om te communiceren.
  • Met zijn spoelvormige lichaam, een brede, afgeplatte, met leerachtige huid bedekte en onbehaarde staart, schoep genoemd, en de zwemvliezen is het dier perfect aangepast aan het leven in het water. De schoep dient als roer bij het duiken en voor de temperatuurregulatie en als vetdepot.
  • Bij het duiken worden neus en oren afgesloten, zodat bevers tot 20 minuten kunnen duiken.
  • De grote, oranjegele knaagtanden steken ver naar voren.
  • Bevers zijn halfwaterdieren, wat betekent dat ze een deel van hun leven in het water en deels op het land doorbrengen.
  • De bever eet waterplanten en hun wortels en bijna alle oeverplanten van zijn leefgebied. Naast rietstengels, kruidachtige planten en grassen neemt hij eveneens de scheuten, schors en het geknaagde hout van zachthout zoals elzen, wilgen en populieren. Struiken en zwakkere bomen velt hij met zijn knaagtanden. In de buurt van landbouwgrond eet hij ook klaver, mais, bieten, graan of valfruit.
  • Hij ruikt en hoort uitstekend, maar ziet slecht. Bevers hebben doorzichtige oogleden die als een bril werken, zodat ze onder water kunnen zien.
  • Lynx, wolf en beer behoorden vroeger tot de belangrijkste natuurlijke vijanden van de bever. Tegenwoordig gaat het grootste gevaar uit van loslopende honden.
  • De onderlinge communicatie verloopt via geursignalen, geluiden en staartslagen. Dat laatste is een waarschuwingssignaal voor de andere bevers, dat bij gevaar wordt gemaakt door luid met de «souffleur» op het wateroppervlak te slaan.
  • Bevers zijn monogaam en blijven hun eenmaal gekozen partner hun leven lang trouw. Van januari tot februari vindt na baltsspelen in ondiep water de paring plaats. Het territorium van een beverfamilie, die bestaat uit het ouderpaar en twee generaties jongen, omvat afhankelijk van de kwaliteit van het biotoop 1 tot 3 kilometer stromend water. De territoriumgrenzen worden gemarkeerd met het zogenaamde bevergeil, een olieachtige afscheiding uit een klier in de buurt van de anus, en tegen indringers verdedigd. Bevers zijn dus territoriale dieren.
  • In het beverterritorium bevinden zich in de regel twee tot vier (soms tot tien) woonburchten van zeer uiteenlopende vorm. Als de oeverhelling steil genoeg is, graaft de bever er een hol in en verbindt het met zogenaamde beverbuizen. Dat kunnen vreetbuizen, vluchtbuizen en speelbuizen zijn.
  • Bevers zijn nachtdieren. Bevers houden geen winterslaap, maar een winterrust. Daarom moet ook in de winter voor voedsel worden gezorgd.
  • Tussen april en juni komen dan na een draagtijd van ongeveer 107 dagen de al relatief ver ontwikkelde jongen ter wereld. Bevers krijgen slechts eenmaal per jaar tussen één en vijf, meestal drie jongen.
  • De jongen worden ongeveer twee tot drie maanden lang gezoogd, maar nemen al twee weken na de geboorte zelfstandig plantaardig voedsel op.
  • Bevers staan bekend om hun damconstructies, waarmee ze beken opstuwen en kunstmatige vijvers aanleggen. Deze regulering geeft de bevers een veilig waterpeil rond hun burcht. Tegelijkertijd groeien in de vijver waterplanten die de bever als voedsel dienen. Vlak voor de ingang van de burcht slaan de bevers in de herfst takken en twijgen op. Wanneer het wateroppervlak van de vijver bevriest, kan de bever de opgeslagen takken onder het ijs bereiken en zich voeden met de bast.
  • Bevers leven 16 tot 20 jaar in het wild.
  • Naast de vervolging vanwege zijn vlees zorgden voornamelijk pelsjagers voor een drastische achteruitgang – tot aan de uitroeiing – van de populatie in Zwitserland. Riviernormalisaties en het verwijderen van ooibossen leidden eveneens tot een verdere afname van de populatie. Momenteel zijn er dankzij de strenge beschermingsmaatregelen in de 20e eeuw in Zwitserland weer ongeveer 2’000 exemplaren van deze voor de diversiteit van flora en fauna zo uiterst nuttige knaagdier.

Wat onderneemt Wild beim Wild voor de bescherming van bevers?

Wij zetten ons in om populaties en hun leefgebieden te behouden en met elkaar te verbinden. Natuurlijke corridors maken de genetische uitwisseling tussen afzonderlijke populaties mogelijk. Niet alleen de bescherming van predators, maar ook van hun prooidieren is een wezenlijk onderdeel van ons werk. Dit gebeurt doordat wij de wilde dieren waar mogelijk verdedigen tegen onnodige jacht en stroperij.

Dierenportretten