Verbod op het uitzetten van fokdieren voor jachtdoeleinden
Motie / postulaat (kantonaal aan te passen)
De Regeringsraad wordt opgedragen de kantonnale jachtwetgeving zodanig aan te passen dat het uitzetten van in gevangenschap gefokte dieren van bejaagbare soorten voor jachtdoeleinden op het gehele kantonnale grondgebied wordt verboden.
Subsidiair wordt de Regeringsraad opgedragen in een verslag uiteen te zetten:
- of er in het kanton dieren van bejaagbare soorten worden uitgezet of in de afgelopen tien jaar zijn uitgezet, om welke soorten en welke aantallen het gaat en op welke overheidsbesluiten deze uitzettingen berusten;
- op welke inventarisaties de op grond van art. 6 van de federale Jachtwet vereiste vaststelling berust dat er voor de betreffende soorten geschikt leefgebied aanwezig is en voldoende bescherming is gewaarborgd;
- of de uitgezette dieren afkomstig zijn uit binnen- of buitenlandse fokkerij en of er in geval van invoer de op grond van art. 9 van de federale Jachtwet vereiste vergunning van de bond aanwezig is;
- welke soorten in het kanton op de lijst van bejaagbare soorten staan zonder dat een zichzelf in stand houdende wildlevende populatie is aangetoond, en of de schrapping daarvan op grond van art. 5 lid 4 van de federale Jachtwet is onderzocht.
Motivering
Het federale recht staat de kantons op grond van art. 6 van de federale Jachtwet toe om dieren van bejaagbare soorten uit te zetten. Deze toestemming is aan een voorwaarde gekoppeld: er moet geschikt leefgebied aanwezig zijn en voldoende bescherming gewaarborgd zijn.
Deze voorwaarde leidt tot een tegenstrijdigheid die de wetgever niet heeft opgelost. Als het leefgebied geschikt is, houdt een populatie zichzelf op eigen kracht in stand en hoeft die niet te worden ondersteund. Als er moet worden uitgezet omdat er geen aanwas ontstaat, is het leefgebied juist niet geschikt. Op deze tegenstrijdigheid wijst de Opper-Oostenrijkse Landjachtvereniging uitdrukkelijk in een eigen vakartikel, en zij stelt vast dat in een dergelijk geval eerst de oorzaken zouden moeten worden weggenomen.
Het uitzetten voor jachtdoeleinden vervult daarmee geen natuurbeschermingsfunctie. Het creëert een afschotgelegenheid waar geen populatie aanwezig is. De wijdverbreide rechtvaardiging dat de jacht dient ter regulering is in deze gevallen zonder grond: er wordt niet een bestaande populatie gereguleerd, maar een vooraf kunstmatig gecreëerde.
Daarbij komt de dimensie van het dierenwelzijnsrecht. In gevangenschap opgefokte vogels zijn in het wild slechts beperkt in staat te overleven. Ze hebben geen territorium leren kennen, geen vijandgedrag ontwikkeld en geen ervaring met natuurlijk voedsel zoeken. Het overgrote deel van de uitgezette dieren sterft niet door het schot, maar aan stress, voedselgebrek, kou, in het verkeer of door predatoren. Voor Groot-Brittannië, waar deze praktijk industriële omvang bereikt, documenteren enquêtets van de jachtsector zelf dat van de circa 47 miljoen in 2016 uitgezette fazanten hoogstens 18 miljoen als geschoten werden geregistreerd. Het grootste deel van de dieren duikt in geen enkele afschotstatistiek op.
Meerdere rechtsstelsels hebben daaruit consequenties getrokken. In het Oostenrijkse Burgenland is het uitzetten verboden, in Vorarlberg en Salzburg vergunningsplichtig, in Wenen is het afschieten van uitgezette dieren verboden.
In Zwitserland bestaat geen algemeen verbod. Een juridisch advies in opdracht van het Federaal Bureau voor Milieu stelde al in 2005 vast dat het uitzetten van bejaagbare dieren nog slechts geringe betekenis had en dat in wezen enkel in het kanton Ticino jachtfazanten werden uitgezet. De federale jachtstatistiek ondersteunt dit beeld: van 2000 tot 2024 daalde het aantal landelijk geschoten fazanten van 155 tot een dieptepunt van zes dieren in 2023. De afschoten concentreren zich vrijwel volledig op één enkel kanton. De fazant blijft desalniettemin volgens art. 5 van de Federale wet op de jacht een bejaagbare soort met eigen gesloten seizoen.
Een kantonnaal verbod is juridisch mogelijk. Art. 6 van de Federale wet op de jacht verleent de kantons een bevoegdheid, maar verplicht hen niet tot de uitoefening ervan. Bovendien kunnen de kantons volgens art. 5 lid 4 de lijst van bejaagbare soorten inperken. Het kanton kan dus zowel het uitzetten verbieden als soorten zonder aangetoonde populatie van de jacht uitsluiten, zonder dat een wijziging van het federale recht vereist is.
Het streven is bovendien verenigbaar met het doelartikel van de Federale wet op de jacht, dat het behoud van de soortenrijkdom en de bescherming van bedreigde diersoorten noemt. Het uitzetten van gefokte dieren voor aansluitende bejaging dient geen van deze doelen.
Juridische grondslagen
- Federale wet op de jacht en de bescherming van in het wild levende zoogdieren en vogels (JSG), art. 1, 5, 6, 9, 17 en 18
- Kantonale jachtwet en kantonale jachtverordening (benaming en artikelnummers kantonaal aan te vullen)
- Wet op de dierenbescherming (TSchG), art. 4
Achtergrond en bronnen
- Fazantenjacht vindt vrijwel alleen nog in Ticino plaats
- Federale jachtstatistiek, fazant, afschot hele Zwitserland en kanton Ticino, 2000 tot 2024
- Grondbeginselen van het geldende soortenbeschermingsrecht van Zwitserland en omliggende landen, juridisch advies in opdracht van het federale Bureau voor Milieu, 2005
- Boven-Oostenrijkse Jachtvereniging, Het uitzetten van wild: tussen soortenbescherming en afschietpret
- NABU Noordrijn-Westfalen, Standpunt over de wijziging van de deelstaatjachtwet 2018, Soortportret fazant
- British Ecological Society, Increases in generalist predator populations are associated with pheasant releases, 2019
- European Journal of Wildlife Research, How many gamebirds are released in the UK each year?, 2021
