Letland verhoogt wolvenquotum naar 400 ondanks controlerapport
De eigen rekenkamer bestempelt de bestandsgegevens van de bosbouwdienst als niet-controleerbaar, toch stijgt het aantal afschotten.
Letland heeft het toegestane afschotvolume voor wolven voor het seizoen 2026/2027 verhoogd van 370 naar 400 dieren; de jachttijd loopt sinds 15 juli 2026.
De Letse rekenkamer had de bestandsbeoordeling van de bevoegde bosbouwdienst al bestempeld als niet navolgbaar en niet-controleerbaar.
Wat vaststaat voor het nieuwe seizoen
De Staatsbosdienst heeft het volume verdeeld over twee beheereenheden. In eenheid A, die het grootste deel van het staatsgebied beslaat en waar wolven permanent voorkomen, zijn 330 dieren vrijgegeven; de jachttijd loopt daar tot het bereiken van het contingent, uiterlijk tot 31 maart. In eenheid B, met slechts sporadisch voorkomen, gelden 70 dieren en een termijn tot 31 december.
Doorslaggevend is een aanvullende clausule die in de publieke perceptie verloren gaat: na uitputting van het contingent kan de dienst nog eens tien wolven vrijgeven voor afschot. Het werkelijke maximum ligt daarmee op 410 dieren.
De bosbouwdienst schat het bestand op ongeveer 1’400 wolven. Bij 400 vrijgegeven dieren komt dat overeen met een onttrekkingsquotum van 28 procent van het totale bestand, bij uitputting van de aanvullende vrijgave krap 30 procent.
De balans van het afgelopen seizoen
In de drie Baltische staten werden in het seizoen 2025/2026 samen meer dan 800 wolven gedood. Letland putte zijn contingent van 370 dieren in januari 2026 volledig uit. In Litouwen lag de limiet op 307 dieren; tot het einde van het seizoen op 31 maart 2026 werden in totaal 275 wolven geschoten. In Estland werden 151 van de 163 toegestane dieren gedood, daar kwamen nog 16 wolven bij op basis van speciale vergunningen van de milieudienst.
Het Estse verloop verdient een aparte beschouwing. Het aanvangscontingent lag in november 2025 op 84 dieren, waarbij al vóór het begin van het seizoen twaalf wolven met een bijzondere vergunning waren gedood. In december 2025 stelde het milieuagentschap een verhoging met 28 dieren in vijf beheersgebieden voor, met als motivering nieuwe roedelgegevens uit de eerste winterjachten. Uiteindelijk stonden er 163 vergunde dieren plus 16 bijzondere vergunningen. Een quotum dat in de loop van het seizoen bijna wordt verdubbeld, volgt niet de populatiebiologie, maar de vraag.
Wanneer de eigen toezichthoudende instantie tegenspreekt
De Letse Rekenkamer legde in 2020 een controleverslag voor over de vraag of het staatlijke wildbeheer duurzaam is. Haar totaaloordeel: een verantwoord en duurzaam beheer bestaat niet.
Over de populatiebeoordeling bij predatoren stelt het verslag vast dat de methodiek ongeveer twintig jaar geleden werd ontwikkeld, toen het bosbeheer anders was georganiseerd en boswachters aanzienlijk kleinere oppervlakten per dag konden bezoeken. Bij steekproefcontroles in de bosdistricten beoordeelden de controleurs de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de gegevens als twijfelachtig: de beoordeling zou berusten op cijfers van het voorgaande jaar, de wijzigingen daaraan zouden niet navolgbaar zijn en niet toegankelijk voor controle. Hoe langer deze procedure wordt voortgezet, des te waarschijnlijker wijkt de vastgestelde populatieomvang af van de werkelijke situatie. Noch de toestand bij de toetreding tot de EU noch een significante toename van de populatie zou daarmee kunnen worden aangetoond.
Het verslag documenteert bovendien hoe ver de schattingen uiteenlopen. Bij de lynx becijferde de bosdienst de populatie na het seizoen 2018 driemaal zo hoog als de geraadpleegde vakexpert en achtmaal zo hoog als de speciale monitoring van het onderzoeksinstituut Silava. Voor de wolf beschrijft de Rekenkamer een vergelijkbare situatie. Berekeningen van de wetenschap bevestigden de door de bosdienst aangenomen duidelijke toename van de populatie in de afgelopen vijftien jaar niet.
Bijzonder opmerkelijk is een procedurele bevinding: de werkgroep voor de vaststelling van de afschotquota heeft volgens de beoordeling van de controle-instantie slechts een formele betekenis, en dat geldt uitdrukkelijk ook voor het natuurbeschermingsagentschap, dat eigenlijk verantwoordelijk is voor de bescherming van bijzonder beschermde soorten. Daarnaast stelde de rekenkamer vast dat het nationale meldsysteem geen betrouwbare gegevens levert over de daadwerkelijk gedode dieren.
Wie op een beschermde soort wil jagen, moet een gunstige staat van instandhouding aantonen. Ontbreekt de controleerbaarheid van de onderliggende cijfers, dan staat de gehele quotalogica zonder fundament.
De bosdienst onderbouwt de verhoging onder meer met het argument dat de wolvenjacht de plattelandsbevolking een gevoel van veiligheid geeft en het samenleven met de wolvenpopulatie vergemakkelijkt. Een veiligheidsgevoel is geen biologische parameter. De door de instantie zelf genoemde schadecijfers wijzen bovendien in de tegenovergestelde richting: tot 13 juli 2026 waren er 24 bevestigde wolvenaanvallen met 67 gewonde huisdieren geregistreerd, in dezelfde periode van het voorgaande jaar waren dat 82 aanvallen met 372 getroffen dieren.
Wat de genetica laat zien
De meest betrouwbare bevindingen levert de genetische monitoring van het staatsonderzoeksinstituut Silava. Tussen juli 2009 en maart 2021 werden 1’269 in Letland gedode wolven met succes genotypeerd, ongeveer 42 procent van alle in deze periode geschoten dieren. Daaruit konden 223 verwantschapsgroepen worden gereconstrueerd.
Het resultaat is tweeledig en wordt daarom regelmatig verkort geciteerd. Genetische diversiteit, heterozygotie en inteeltwaarden van de Letse populatie bleven onopvallend, de populatie is niet gefragmenteerd. De sociale bevindingen vallen daarentegen duidelijk uit.
In 46,1 procent van de verwantschapsgroepen konden verwante dieren slechts gedurende één enkel jachtseizoen worden aangetoond, in nog eens 15,6 procent gedurende twee seizoenen. Minder dan een derde van de groepen bestond vier jaar of langer. In 64,6 procent van de groepen ging minstens één ouderdier verloren. In 27,1 procent van de gevallen werd een ouderdier gedood terwijl er nog welpen leefden, in 17,5 procent waren deze welpen tussen drie en tien maanden oud, gemiddeld 5,6 maanden.
Jonge wolven zijn tot een leeftijd van negen tot tien maanden afhankelijk van verzorging en begeleiding door volwassen roedelleden. De onderzoeksgroep raadt daarom aan de jacht pas te openen wanneer de jongen minstens zes maanden oud zijn, wat voor Letland een inkorting van het seizoen tot een start in oktober of november zou betekenen. Letland heeft met 15 juli tot 31 maart de langste wolvenjachttijd van de Baltische staten.
Verder zijn er ontbindingen van roedels, het opgeven van aangestamde territoria en de vroegtijdige afwandering van jonge dieren gedocumenteerd. In negen families werden jongen na het verlies van een ouderdier op 30 tot 230 kilometer afstand gedood. Het narratief dat afschot louter populatieregulering zou zijn, houdt bij deze bevinding geen stand: er wordt niet een anoniem overschot onttrokken, maar de reproductieve en sociale structuur zelf.
De grensversterking als connectiviteitsvraag
Het in het kader van de Conventie van Bern opgestelde rapport over de staat van instandhouding van de wolf in Europa noemt de nieuw opgerichte veiligheidshekken aan de grenzen met Wit-Rusland en de Russische Federatie uitdrukkelijk als reden tot zorg, omdat ze de mate van verbinding verminderen. Zonder nauwkeurige monitoring en zonder deze verbinding is een afwaardering van de populatie mogelijk.
De hekken sluiten wolven niet op, maar ze bemoeilijken uitwisseling en instroom. Dit onderscheid is cruciaal, omdat het compensatievermogen van een bejaagde populatie in wezen afhangt van de vraag of volwassen dieren uit naburige gebieden aanschuiven. Precies daarnaar verwijst ook de Silava-studie: een deel van de Letse populatie is voor zijn stabiliteit afhankelijk van instroom, en de onderzoeksgroep noemt grenshekken uitdrukkelijk als factor waarmee bij het vaststellen van jachtlimieten in de toekomst rekening moet worden gehouden.
Naar het zuiden blijft de corridor via Polen, waar sinds 1998 niet op wolven wordt geschoten. De Pools-Litouwse grens meet echter slechts ongeveer 100 kilometer.
Estland: een rechtbank trekt de lijn
In juni 2026 verklaarde het Estse Staatsgerechtshof het besluit van de milieuautoriteit voor het seizoen 2020/2021, dat het afschot van 140 wolven toestond, onrechtmatig. De autoriteit had bij de voorbereiding de bepalingen van de Conventie van Bern, waaronder de wolf destijds strenger beschermd was, niet in acht genomen. De klacht was ingediend door de organisatie Eesti Suurkiskjad.
De zaak toont aan dat administratieve gewoonte en passende statistieken niet volstaan als rechtvaardiging voor het afschieten van beschermde soorten. Vereist zijn wetenschappelijke gegevens, een deugdelijk juridisch kader en in geval van twijfel het voorzorgsbeginsel. Daarmee voegt Estland zich in een Europese ontwikkeling waarin rechtbanken de grenzen markeren van door de jachtpolitiek gewenste cijfers, zoals eerder al in Zweden.
Verband met Zwitserland
De Baltische praktijk wordt door Europese hobbyjachtorganisaties als voorbeeld gepromoot. Ook in ons land ligt de populatietelling van predatoren grotendeels in handen van aan de jacht verbonden bestuursdiensten, en ook hier worden cijfers gebruikt voor afschotbeslissingen waarvan de totstandkoming van buitenaf nauwelijks controleerbaar is. Het Letse geval toont aan waartoe deze constellatie leidt wanneer zij twee decennia lang ongecontroleerd blijft: niet de populatie wordt beheerd, maar de vraag naar afschot.
Verder lezen: De wolf in Europa: waarom hobby hunting geen oplossing is
LATEN WE IN CONTACT BLIJVEN!
We willen je graag het laatste nieuws en aanbiedingen in de nieuwsbrief toesturen.
Steun ons werk
Met jouw donatie help je dieren te beschermen en hun stem te laten horen.
Doneer nu →