Waarom het dierenbeschermingsrecht bij de bosrand eindigt
In Zwitserse slachthuizen is duidelijk geregeld dat geen enkel dier zonder voorafgaande verdoving mag doodbloeden. Zelfs schaaldieren en vissen zijn sinds 2022 beschermd. Bij de hobbyjacht gelden andere regels: wilde dieren sterven regelmatig zonder verdoving, in doodsangst, met pijn en vaak na lange vluchtfasen. Dit dossier laat aan de hand van wettelijke grondslagen, studies en cijfers zien hoe weinig bescherming wilde dieren op dit moment werkelijk genieten en wat er zou moeten veranderen, zodat hun sterven niet langer een blinde vlek in de wetgeving blijft.
Wat je hier te wachten staat
- Juridisch kader: Hoe de Zwitserse dierenbeschermingswet een verdovingsplicht voorschrijft en de hobbyjacht daar tegelijkertijd van uitzondert. Waarom wilde dieren juridisch slechter beschermd zijn dan slachtdieren.
- Sterfproces: Wat er bij de hobbyjacht daadwerkelijk gebeurt, van het opjagen via het schampschot tot de mislukte nazoektocht, en waarom doodsangst geen uitschieter is maar tot het systeem behoort.
- Cijfers en studies: Wat het STS-rapport, de federale jachtstatistiek en onderzoeksgegevens zeggen over misschoten, vluchtafstanden en nazoekpercentages.
- Waardigheid in het sterven: Waarom het sterfproces bij de hobbyjacht onverenigbaar is met elke maatstaf die wij in de palliatieve geneeskunde, diergeneeskunde of ethiek als passend beschouwen.
- Argumentatie: Antwoorden op de meest voorkomende bezwaren van de hobbyjachtlobby.
- Quicklinks: Alle relevante bijdragen, studies en bronnen in één oogopslag.
Verdovingsplicht: wie beschermd is en wie niet
Zwitserland neemt de bescherming van dieren bij het slachten op papier serieus. Art. 21 lid 1 van de dierenbeschermingswet (TSchG) schrijft voor dat slachtdieren vóór het doodbloeden moeten worden verdoofd. Art. 178 lid 1 van de dierenbeschermingsverordening (TSchV) breidt deze plicht uit naar alle gewervelde dieren: zij mogen alleen onder verdoving worden gedood, voor zover er geen noodgeval is. Sinds de herziening van de verordening over de dierenbescherming bij het slachten (VTSchS) per 1 januari 2022 gelden er ook expliciete voorschriften voor vissen en schaaldieren. Wie de verdovingsplicht overtreedt, vervult de strafbare feiten van het in strijd met de voorschriften slachten (art. 177 e.v. TSchV juncto art. 28 lid 1 sub f respectievelijk sub g TSchG). Onjuiste verdoving geldt in de regel als mishandeling.
Maar juist hier creëert de wetgever een uitzondering die in de praktijk enorme gevolgen heeft. Art. 178a lid 1 sub a TSchV stelt de hobbyjacht vrij van de verdovingsplicht. Het schot van afstand vervangt de verdoving, althans in theorie. De stichting Tier im Recht (TIR) verwoordt het ondubbelzinnig: de jacht is vrijgesteld van de verdovingsplicht, ook wanneer de toegepaste dodingsmethode het dier niet onmiddellijk in een toestand van gevoel- en waarnemingsloosheid brengt.
In de praktijk betekent deze uitzondering dat wilde dieren juridisch slechter beschermd zijn dan huisrunderen, kippen of kreeften in de kookpot. Wat in het slachthuis als strijdig met het dierenwelzijn en strafbaar zou gelden, namelijk een dier bij vol bewustzijn te laten doodbloeden, is in het jachtgebied toegestaan. De ongelijke behandeling toont een hiërarchie van medeleven: dieren die we in de stal zien, krijgen minimumnormen. Dieren die «buiten» leven, verliezen rechten zodra een hobbyjager het geweer laadt. Wie dierenwelzijn serieus neemt, moet deze kloof openlijk benoemen.
Meer hierover: Jacht en dierenwelzijn: wat de praktijk met wilde dieren doet
Doodsangst hoort bij het systeem
De jachtromantiek vertelt over «snelle, schone schoten» die het dier zogenaamd «bij de knal» doden. De werkelijkheid begint eerder, op het moment dat het dier merkt dat het achtervolgd wordt. Drijf- en drukjachten zijn vanuit het oogpunt van het wild georganiseerde paniek: vlucht over lange afstanden, oververmoeidheid, desoriëntatie en het gevoel dat de vertrouwde omgeving plotseling levensgevaarlijk is geworden. Doodsangst is geen uitschieter, maar een integraal onderdeel van het proces.
Zelfs bij de aanzitjacht, waarbij de hobbyjager «verrassend» wil schieten, blijft een structureel probleem bestaan: geen enkel schot is perfect, geen enkel dier is een star doelwit op de schietschijf. Kleine afwijkingen in afstand, wind, beweging of steun zijn voldoende om ervoor te zorgen dat het schot niet dodelijk is, maar «slechts» verwondt. Voor het betrokken dier maakt dat het verschil tussen een onmiddellijk einde en uren of dagen vol pijn.
Het stervensproces, dat publiekelijk zelden wordt besproken, ziet er concreet zo uit: reeën met kapotgeschoten poten die het bos in vluchten. Herten met buikschoten die inwendig doodbloeden. Vossen met verbrijzelde kaken die noch kunnen eten noch jagen. Dit zijn geen theoretische extreme gevallen, maar de keerzijde van elke vrijetijdsactiviteit met een scherp wapen. Daar komt bij dat dieren die in paniek vluchten, grote hoeveelheden stresshormonen zoals adrenaline en cortisol afscheiden. De stofwisseling slaat om, de spieren verzuren. Dit bevordert taai, waterig vlees met beperkte kwaliteit, een scherpe tegenstelling met het verhaal dat hobbyjacht «edel, gezond» wildvlees produceert.
Meer hierover: Psychologie van de jacht en Drijfjacht in Zwitserland
Striemschoten en nazoekacties: wat de cijfers zeggen
Officiële jachtstatistieken klinken ordelijk: in het jachtjaar 2023 schoten ongeveer 30’000 hobbyjagers in Zwitserland circa 76’000 wilde hoefdieren (reeën, herten, gemzen, wilde zwijnen) en bijna 22’000 roofdieren (rode vos, das, boommarter, steenmarter). In totaal werden bijna 100’000 dieren geschoten. In Zwitserland leven naar schatting 135’000 reeën, 40’000 herten en 86’000 gemzen.
Onzichtbaar blijven die dieren die wel geraakt, maar nooit geborgen worden. De Zwitserse Dierenbescherming STS heeft het probleem in haar rapport «Striemschoten en nazoekacties bij de Zwitserse jacht» systematisch onderzocht.
Kernbevindingen van het STS-rapport
Het slagingspercentage van nazoekacties naar gewond wild ligt afhankelijk van het kanton op slechts 35 tot 65 procent. Ongeveer de helft van de bij de hobbyjacht aangeschoten dieren kan ondanks de nazoekactie nooit uit hun lijden verlost worden. Volgens de federale jachtstatistiek werden in 2014 in totaal 334 gestorven wilde dieren met schotwonden aangetroffen, waaronder 30 herten, 191 reeën en 15 gemzen. De STS noemt deze vondsten het «topje van de ijsberg».
Een extrapolatie op basis van de gegevens uit het kanton Graubünden (daar wordt jaarlijks ongeveer 6 procent van de beschoten dieren gemeld als aangeschoten, maar niet gedood) levert voor heel Zwitserland naar schatting 3’000 tot 4’000 aangeschoten dieren per jaar op die gewond vluchten. Negen van de 26 kantons weigerden de STS ondanks verwijzing naar de openbaarheidswet elke inlichting. Sommige kantons kennen noch een meldplicht voor nazoekacties, noch beschikken zij over gegevens over het slagingspercentage daarvan.
Internationale vergelijkingsgegevens
Een Deense studie (Elmeros et al., 2012, European Journal of Wildlife Research) toonde aan dat ongeveer 25 procent van de daar geschoten en dood aangetroffen vossen sporen van eerdere beschietingen in hun lichaam droeg: losse hagelkorrels die ingekapseld overleefd hadden. Vergelijkbare systematische gegevens voor Zwitserland bestaan niet.
De Tierärztliche Vereinigung für Tierschutz (TVT) in Duitsland stelt in haar standpunt over «dierenwelzijn en drijfjachten» vast dat bij drijfjachten, afhankelijk van de analyse, tot ongeveer 70 procent van de beschoten dieren niet onmiddellijk dood is, maar gewond vlucht. In een grote Duitse studie (onderzoeksteam rond Anja Martin, meer dan 2’000 geanalyseerde afschoten van reeën en zwijnen) vlucht, afhankelijk van de soort en het munitietype, 30 tot 40 procent van de dieren na het treffen nog duidelijk verder dan tien meter. Bij reeën die in de kop of borstkas werden beschoten, waren de vluchtafstanden bij drijfjachten significant langer dan bij aanzit- of bersjacht.
Wat er met een aangeschoten dier gebeurt
Schampschoten en nazoeken komen in veel kantons slechts rudimentair in de statistieken voor. Wat gebeurt er met een door een schampschot getroffen dier dat niet meer wordt gevonden? Het vlucht zolang het kracht heeft, verbergt zich, lijdt. Open botbreuken, inwendige bloedingen, kapotgeschoten organen of kaken leiden zelden tot een snelle dood. Vaak sterven deze dieren over dagen of weken aan infecties, aan onderkoeling, aan honger, omdat ze niet meer kunnen eten. Het voorgeschreven nazoeken, dus het later opsporen van gewonde dieren met honden, wordt graag gepresenteerd als bewijs van jachtverantwoordelijkheid. Maar elk nazoeken is het toegeven van een voorafgaande fout. En ook dat mislukt vaak: sporen breken af, terreinstructuren zijn onoverzichtelijk, de weersomstandigheden veranderen, dieren overschrijden reviergrenzen.
Al diegenen die niet meer worden gevonden, verdwijnen uit de morele horizon, hoewel ze precies die doodsangst en kwelling vertegenwoordigen die het dierenwelzijnsrecht eigenlijk zou moeten voorkomen.
Meer hierover: Onbetrouwbare Zwitserse jachtadministraties en Jacht en dierenmishandeling
«Verlossen» of doden? De taal van de hobbyjacht
Op taalkundig vlak geeft de hobbyjacht zichzelf graag een zacht gezicht. Dieren worden «verlost», «onttrokken», «geschoten», alsof het om een technische routine gaat. Zelden zeggen hobbyjagers gewoonweg: «Ik heb dit dier gedood.» De woordkeuze is geen toeval, maar een psychologisch schild. Wie regelmatig doodt zonder daarbij voor zijn levensonderhoud op het vlees aangewezen te zijn, moet vooral aan zichzelf uitleggen waarom dat in orde zou zijn.
Vanuit het oogpunt van de dierethiek is het kernconflict duidelijk: wanneer iemand in zijn vrije tijd dieren achtervolgt en doodt, terwijl hij zich probleemloos plantaardig of uit bestaande bronnen zou kunnen voeden, gaat het niet om noodzaak, maar om lust, traditie en identiteit. De figuur van het «verlossen» dient als moreel verzachtmiddel. Men ontneemt het dier niet het leven, maar zogenaamd alleen het lijden. Dat dit lijden vaak pas door de hobbyjacht zelf ontstaat, door opjagen, schoten en verwondingen, wordt buiten beschouwing gelaten.
Op psychologisch vlak zijn motieven waarneembaar zoals macht over leven en dood, het omgaan met de eigen sterfelijkheid, groepsbinding en het zich afzetten tegen een «verwekelijkte» stadsmaatschappij. Hobbyjacht mag subjectief als «oerinstinct» worden beleefd, objectief blijft het een keuze: ga ik vandaag met het geweer het bos in om bewust het leven van een ander levend wezen te beëindigen, of niet? Wie deze keuze rechtvaardigt met «plezier», «passie» of «verbondenheid met de natuur», zou zich moeten afvragen waarom deze gevoelens blijkbaar een sterfgeval nodig hebben om zich te uiten.
Meer hierover: Dossier «Psychologie van de jacht» en De hobbyjager in de 21e eeuw
Stervensproces: palliatieve geneeskunde, diergeneeskunde en hobbyjacht vergeleken
In de menselijke geneeskunde geldt de laatste levensfase als een bijzonder beschermenswaardige periode. Palliatieve geneeskunde en ethiek spreken van een «waardig sterven»: pijn moet worden verlicht, angst verminderd, mensen mogen niet alleen worden gelaten. Niemand zou er serieus aan denken om een stervend mens in het bos op te jagen, te beschieten en vervolgens aan zijn lot over te laten.
Veterinaire aanbevelingen over euthanasie benadrukken eveneens rust, pijnarme of pijnvrije procedures, een zo vertrouwd mogelijke omgeving, het vermijden van paniek en de begeleiding door vertrouwde personen. Zelfs in handleidingen voor dierhouders staat dat dieren zo angstvrij mogelijk, zonder strijd en zonder stress moeten sterven.
Stelt men dit begrip tegenover het stervensproces tijdens de hobbyjacht, dan botsen werelden op elkaar. Hier is sterven geregeld het resultaat van een plotseling schot uit de verte, zonder aankondiging, zonder mogelijkheid tot voorbereiding, zonder enige vorm van begeleiding. Niet zelden ervaren de dieren eerst opjaging, drijfjachten of de ervaring dat hun vertrouwde omgeving door gewapende mensen en honden wordt uitgekamd. Wat volgt is geen «srustige laatste fase», maar een explosie van doodsangst: vlucht, desoriëntatie, pijn wanneer het schot verwondt in plaats van doodt, en vaak een eenzame dood ergens in het struikgewas.
De asymmetrie van belangen is centraal: in de palliatieve geneeskunde staat het welzijn van de stervende persoon centraal, in de diergeneeskunde het welzijn van het dier. Bij de hobbyjacht daarentegen domineert het belang van de hobbyjager, gericht op afschotcijfers, trofeeën, rituelen, identiteit. Het dier is object van een vrijetijdsactiviteit, geen subject van een stervensproces dat beschermd zou moeten worden. Zouden wij dezelfde maatstaven die in de palliatieve geneeskunde en de dierethiek geformuleerd worden, serieus toepassen op wilde dieren, dan zou het grootste deel van de huidige hobbyjacht eenvoudigweg onhoudbaar zijn.
Meer hierover: Jachtmythen: 12 beweringen die je kritisch zou moeten onderzoeken en Jacht en biodiversiteit: hoe de hobbyjacht de soortenrijkdom in gevaar brengt
Beroepswildbeheer in plaats van hobbyschutters: het model van Genève
Er zijn situaties waarin een ingreep in wildpopulaties niet volledig vermijdbaar lijkt: verkeers- en veiligheidsrisico's, zwaargewonde dieren na botsingen, individuele dieren met aangetoonde, concrete schade. De vraag is wie dergelijke ingrepen uitvoert en met welke opdracht.
Een hobbyjager die tegelijkertijd belangenbehartiger van zijn milieu is, heeft onvermijdelijk belangenconflicten. Een professioneel wildbeheer werkt daarentegen binnen het kader van een duidelijk wettelijk mandaat, met opleiding, controle en rapportageplicht. Het kanton Genève, dat sinds 1974 zonder milititiejacht functioneert en op professionele wildbeheerders inzet, toont aan dat de dood van wilde dieren niet noodzakelijkerwijs aan private vrijetijdsactoren hoeft te worden uitbesteed.
Waar de wildbeheerders verantwoordelijk zijn, vervaagt de grens tussen «plezier in de jacht» en noodzakelijke gevarenbestrijding niet op dezelfde manier. Dat betekent niet dat elk schot automatisch in overeenstemming is met het dierenwelzijn, maar het vermindert de invloedsmacht van een lobby die zichzelf als onmisbaar voorstelt. Wie serieus beweert dat dieren «uit hun lijden verlost» moeten worden, zou per se moeten eisen dat dit gebeurt door professionals met aantoonbare deskundigheid en strenge controle, en niet door mensen die in het weekend met collega's, trofeedruk en groepsdynamiek in hun nek op alles schieten wat binnen het schema past.
Het STS-rapport documenteert het probleem van de controle: in de revierkantons berust het jachttoezicht niet bij door de staat betaalde wildbeheerders, maar bij een opzichter die door de respectieve reviere zelf wordt aangesteld. Vanuit het oogpunt van de STS rijst de vraag naar een mogelijke belangenverstrengeling.
Meer hierover: Kanton Genève: wildbeheer zonder hobbyjacht en Alternatieven voor de jacht: wat echt helpt, zonder dieren te doden
Wat er zou moeten veranderen
Als het principe serieus wordt genomen dat dieren niet in doodsangst en onder vermijdbaar lijden zouden moeten sterven, valt de jachtrealiteit in Zwitserland niet te verdedigen. Zes concrete aanknopingspunten.
- Jachtuitzondering herzien: De uitzondering van de hobbyjacht op de verdovingsplicht (art. 178a lid 1 onder a TSchV) is de kern van het probleem. Uiteraard valt een klassieke slachtverdoving niet in het bos te kopiëren, maar de eis zou duidelijk moeten zijn: geen enkel systeem van vrijetijdsjacht mag structureel meer lijden veroorzaken dan technisch vermijdbaar is. Dat zou korte schootsafstanden, strikte voorschriften voor wapens en munitie, uitgebreide documentatieplichten en harde sancties bij misschoten vereisen, en veel tegenwoordig gangbare jachtvormen ter discussie stellen.
- Transparantie over schampschoten: Een eerlijke statistiek zou landelijk en uniform moeten vastleggen hoeveel dieren gewond raken, hoeveel er door nazoeken uit hun lijden worden verlost en hoeveel er nooit worden teruggevonden. De STS eist een expliciete, in de federale jachtwet geregelde plicht tot nazoeken, een meldplicht en publieke transparantie over slagingspercentages. Dat negen kantons de STS ondanks de openbaarheidswet elke inlichting weigerden, laat zien hoe ver de praktijk daar vanaf staat.
- Hobbyjacht en professionele gevarenbestrijding scheiden: Wat werkelijk nodig is, hoort thuis in handen van een onafhankelijke wildhoede. Al het overige is overbodige vrijetijdsbesteding ten koste van de zwakkeren. Het model van Genève bewijst dat dit werkt.
- Drijfjachten beperken: De gegevens zijn eenduidig: drijf- en drukjachten produceren systematisch meer misschoten, langere vluchtafstanden en meer dierenleed dan andere jachtvormen. Een verbod op hagelschoten op ree- en zwartwild, zoals geëist door de STS, zou een minimale stap zijn.
- Onafhankelijk jachttoezicht: Het jachttoezicht moet door de staat, onafhankelijk en verantwoording afleggend georganiseerd zijn, niet door opzichters die door de jachtverenigingen zelf worden aangesteld.
- Kostentransparantie creëren: De samenleving moet weten wat de hobbyjacht kost, niet alleen in franken voor wildhoede en administratie, maar in dierenleed, misschoten en verloren ecosysteemdiensten.
- Modelvoorstellen: Modelteksten voor jachtkritische voorstellen en Nultolerantie voor alcohol en drugs bij de hobbyjacht
Argumentarium
«Een zuivere kogel schendt geen dierenwelzijn.» Een technisch perfecte, onmiddellijk dodelijke kogel zou theoretisch minder problematisch zijn. In de praktijk is dit echter niet het normale geval, maar de uitzondering. De Martin-studie toont aan: 30 tot 40 procent van de getroffen dieren vlucht nog meer dan tien meter. De TVT spreekt van tot 70 procent niet onmiddellijk dodelijke treffers bij drukjachten. Het dierenwelzijnsrecht moet zich meten aan het normale geval, niet aan het ideaalbeeld van de hobbyjachtlobby.
«Jacht is nodig om de standen te reguleren.» Deze bewering is omstreden. Ecosystemen met intacte predatoren, natuurlijke selectie en aangepast landgebruik kunnen functioneren zonder grootschalige hobbyjacht. Waar ingrepen nodig zijn, kan een professionele wildhoede ingrijpen, zonder dat 30’000 vrijetijdsjagers met trofee-interesse nodig zijn. Het model van Genève functioneert al meer dan 50 jaar.
«Lijden wilde dieren tijdens de jacht meer dan in het slachthuis?» De situaties laten zich niet één op één vergelijken, maar één ding is duidelijk: in het slachthuis bestaat een verdovingsplicht en gecontroleerde procedures. Bij de hobbyjacht horen achtervolging, doodsangst en een aanzienlijk risico op niet-dodelijke schoten tot het systeem. Het nazoekpercentage van 35 tot 65 procent betekent: tot de helft van alle aangeschoten dieren wordt nooit uit zijn lijden verlost.
«Men kan de jacht zo reguleren dat dieren nauwelijks lijden.» Men kan het lijden verminderen, maar niet terugbrengen tot een minimum dat vergelijkbaar is met de verdoving in het slachthuis. Zolang er vanaf afstand met vuurwapens op vluchtende of onvoorspelbaar reagerende dieren wordt geschoten, blijven doodsangst, missers en mislukte nazoektochten onderdeel van het systeem.
«Is het niet hypocriet om vlees te eten en hobbyjacht af te wijzen?» Hypocriet is vooral om bij landbouwhuisdieren strenge dierenwelzijnsnormen te eisen en bij wilde dieren plotseling uitzonderingen te accepteren. Juist dan wordt duidelijk hoe willekeurig het is om wilde dieren slechter te beschermen dan dieren in de stal. Het meest consequente antwoord blijft: minder of geen vlees, en geen vrijetijdsactiviteiten die dood en lijden tot vermaak maken.
«Beïnvloedt doodsangst de kwaliteit van wildvlees?» Ja. Dieren die in paniek vluchten, scheiden grote hoeveelheden stresshormonen af. De stofwisseling slaat om, de spieren verzuren. Het resultaat is kwalitatief minderwaardig vlees, een tegenstelling tot de marketingvertelling over het «edele wildbraad».
«De jacht is diep verankerd in onze cultuur.» Traditie is geen argument voor het voortzetten van praktijken die naar de huidige ethische en wetenschappelijke maatstaven onhoudbaar zijn. Ook berengevechten, hanengevechten en de vossenjacht waren cultureel verankerd voordat samenlevingen inzagen dat dierenleed geen cultuurgoed is.
Snelkoppelingen
Bijdragen op Wild beim Wild:
- Jacht en dierenwelzijn: wat de praktijk met wilde dieren doet
- Drijfjacht onder observatie
- Aanzitjacht: wachten, techniek en risico's
- Jacht en dierenmishandeling
- Onbetrouwbare Zwitserse jachtadministraties
- Kanton Genève: faunabeheer zonder hobbyjacht
- De hobbyjager in de 21e eeuw
- Graubünden: het uitzetten van de lynxen is gestopt
- Beschermbossen beschermen tegen hobbyjacht
- Nultolerantie voor alcohol en drugs tijdens de hobbyjacht
Verwante dossiers:
- Psychologie van de jacht: waarom mensen dieren doden en hoe de hobbyjacht hun geweld normaliseert
- Hobbyjachttoerisme: trofeeënjacht, jachtreizen en beurzen – een wereldwijde vrijetijdsindustrie ten koste van de dieren
- Jacht en kinderen
- Jachtslachtoffers in Europa: doden, gewonden en een continent zonder statistiek
- Buitfoto's: dubbele moraal, waardigheid en de blinde vlek van de hobbyjacht
- Waarom het dierenwelzijnsrecht eindigt bij de bosgrens
- Vrijetijdsgeweld tegen dieren beëindigen
- Trofeeënjacht: wanneer doden een statussymbool wordt
Onze ambitie
Wilde dieren verdienen dezelfde bescherming tegen leed en doodsangst die we landbouwhuisdieren in het slachthuis toekennen. Dit dossier documenteert hoe het Zwitserse dierenbeschermingsrecht ophoudt bij de bosrand, waarom de hobbyjacht structureel meer leed veroorzaakt dan technisch vermijdbaar zou zijn, en waarom professioneel wildbeheer de enige weg is die verenigbaar blijft met een eerlijk dierenbeschermingsrecht. Het dossier wordt voortdurend bijgewerkt wanneer nieuwe gegevens, studies of politieke ontwikkelingen dit vereisen.
Meer over het thema hobbyjacht: In ons Dossier over de jacht bundelen we factchecks, analyses en achtergrondrapporten.
