De rode wouw
De rode wouw (Milvus milvus), ook wel rode kuikendief, gaffelwouw of koningswouw genoemd, is een roofvogelsoort uit de familie van de havikachtigen (Accipitridae).
De ongeveer zo grote als een buizerd, lang- en smalvleugelige roofvogel heeft zijn verspreidingszwaartepunt in Europa. Slechts weinig rode wouwen broeden ook in Noordwest-Afrika.
Kenmerkend voor deze elegante vlieger zijn de gevorkte staart (doet denken aan een M = Milan) en de opvallende witte vleugelvelden vóór de diep gevingerde zwarte handpennen.
Rode wouwen zijn deeltrekkers. De meeste vogels uit Midden-Europa verlaten in de late herfst hun broedgebieden en trekken naar het zuidwesten weg. Ze blijven meestal in Zuidwest-Europa, slechts zeer weinige trekken verder tot in de Sahelgebieden van Afrika. In toenemende mate proberen rode wouwen ook in hun Midden-Europese broedgebieden te overwinteren.
Rode wouwen voeden zich overwegend met kleine zoogdieren, ongewervelden, amfibieën en kleinere vogels en aas.









Na zeer sterke afnames van de populatie tegen het einde van de 20e eeuw nemen de aantallen sinds ongeveer 2010 weer duidelijk toe, zodat de soort zich in sommige gebieden opnieuw of sterker heeft kunnen vestigen.
In tegenstelling tot de nauw verwante, iets kleinere zwarte wouw is de verspreiding van de rode wouw in wezen beperkt tot Europa. Hij broedt vooral in open landschappen die doorspekt zijn met kleine bossen of bosjes. Hij is aanzienlijk minder gebonden aan water dan de zwarte wouw. De meeste rode wouwen van centraal Midden-Europa en die welke in Noord- en Oost-Europa broeden, zijn trekvogels, terwijl een wisselend hoog percentage van de broedvogels uit het westelijke en zuidwestelijke Midden-Europa jarenlang als standvogel in het broedgebied blijft.
De rode wouw is een goed te determineren roofvogelsoort. Het meest verwisselbaar is hij met de zwarte wouw, maar ook bij deze nauw verwante wouwsoort zijn er goede onderscheidende kenmerken.
De rode wouw is groter dan een buizerd en iets groter dan de zwarte wouw; hij heeft uitgesproken lange vleugels en een lange, gevorkte staart. De zittende vogel oogt roodbruin, waarbij een duidelijk lichtere, meestal okerkleurige verenrand, vooral van de dekveren van de bovenvleugel en het rugverenkleed, een contrastrijke totaalindruk geeft. Het kop-, nek- en keelverenkleed van volwassen rode wouwen is stralend licht, bijna wit, en vertoont opvallende zwarte veerschachten, die deze lichaamsdelen zwart gestreept doen lijken. De vrij krachtige snavel is aan de basis geel en bij de snavelhaak donkergrijs of zwart. De korte poten zijn geel, de klauwen zwart. De iris van volwassen vogels is bleekgeel. Het duidelijk zwart in de lengte gestreepte buikverenkleed is iets lichter en helderder roodbruin dan het rugverenkleed; de onderdekveren van de vleugels zijn op dezelfde wijze gekleurd. De arm- en handpennen zijn aan hun uiteinden zeer donker, bijna zwart.
In de vlucht vallen vooral de lange, relatief smalle vleugels op en de diep gevorkte, roestrode staart, die altijd in beweging is en ook volledig uitgespreid nog een inkeping vertoont. Van bovenaf contrasteren de zwarte arm- en handpennen sterk met het overige, roodbruine verenkleed. Nog contrastrijker is het vluchtbeeld van onderaf, doordat de handpennen aan de basis wit zijn en een uitgestrekt wit vleugelveld vormen, terwijl in de vleugelboeg meestal een zwart kenmerk te herkennen is. De buitenste, diep gevingerde handpennen zijn in hun laatste derde zwart. In de zweefvlucht zijn de armpennen licht boven de horizontaal opgeheven, de handpennen daarentegen recht of licht omlaag, wat een herkenbaar geknikt vleugelprofiel oplevert. De vleugels zijn in vrijwel elke vluchtpositie in het carpaalgewricht duidelijk gehoekt.
De geslachten verschillen niet in kleur, ook het juveniele verenkleed lijkt sterk op dat van de volwassen vogel. Het beste en bij zeer goed licht ook in het veld bruikbare determinatiekenmerk van juveniele individuen is de meer zandkleurige, niet lichtgrijs-witte kop en het eerder gespikkeld (niet in de lengte gestreept) ogende, meer bleekroodbruine buikverenkleed. Bij heel jonge vliegvlugge rode wouwen kan de staart aan de uiterste rand nog een ronding vertonen, doordat de buitenste stuurveren hun volle lengte nog niet hebben bereikt.
Het omgekeerde geslachtsdimorfisme is bij de rode wouw, net als bij de zwarte wouw, wat de lichaamsgrootte betreft niet erg duidelijk, maar wat het lichaamsgewicht betreft iets uitgesprokener. De zwaarste mannetjes wegen 1,1 kilogram; gemiddeld ligt het gewicht iets onder een kilogram (0,93 kg). De zwaarste vrouwtjes wegen 1,4 kilogram, het gemiddelde ligt op 1,06 kilogram. De lichaamslengte varieert tussen 60 en 73 centimeter, waarvan tussen 31 en 39 centimeter voor rekening van de staart komt. De spanwijdte bedraagt 150 tot 180 centimeter.
Adulte vogels verwisselen jaarlijks hun volledige verenkleed. Deze volledige rui begint met het lichaamsverenkleed al tijdens de broedperiode en wordt voltooid met de vervanging van de slag- en staartveren (meestal in de overwinteringsgebieden). Sommige jonge vogels verwisselen delen van het lichaamsverenkleed kort na het uitvliegen; een volledige rui begint bij alle jonge vogels in het voorjaar van het tweede levensjaar en is voltooid in de nazomer/vroege herfst. Vanaf dan vertonen jonge rode wouwen het uiterlijk van volledig gekleurde, oudere individuen.
Rode wouwen zijn akoestisch minder opvallend dan zwarte wouwen. Vooral buiten de baltstijd en op grotere afstand van het nest gedragen ze zich grotendeels zwijgend, afgezien van voedselruzies met andere vogels zoals kraaien, buizerds of andere wouwen, die meestal zeer luidruchtig worden uitgevochten. De meest opvallende roep is een hoge, in toonkleur sterk variërende, maar meestal schelle, langgerekte wiiieeh, waaraan in een af- en oplopende toonkromme verdere elementen worden toegevoegd. Het eerste element is langgerekt, vaak klagend, de daaropvolgende sluiten golfvormig en korter wordend aan, op het einde vaak struikelend.
De rode wouw is een roofvogel van open landschappen die met kleine en grotere bosjes doorspekt zijn. Hij is aanzienlijk minder waatergebonden dan de nominaatvorm van de zwarte wouw, met wie hij echter vaak in nauwe nabijheid broedt. Geprefereerde leefgebieden zijn agrarische landschappen met veldbosjes, vaak ook parklandschappen en aan open land grenzende gestructureerde bosranden, zeldzamer heide- en veengebieden, zolang er bomen als nestlocaties beschikbaar zijn. Vaak benut hij de gunstige opwaartse luchtstromen in nauwere rivierdalen of op berghellingen.
Om te jagen heeft hij open cultuurland, grasland en veeweiden nodig. Daarnaast kunnen ook moerasgebieden als foerageergebied dienen. Geoogste of net omgeploegde graanvelden betrekt hij evenzeer in zijn voedselzoektocht als snelwegen en vuilstortplaatsen, deze laatste echter niet in dezelfde mate als de zwarte wouw.
In het algemeen is de rode wouw een bewoner van laaglanden en heuvelgebieden tot ongeveer 800 m. In de Zwitserse Jura liggen enkele broedplaatsen op bijna 1200 m. In de Pyreneeën zijn voorkomens in de subalpiene zone bekend. Historische broedplaatsen in de Kaukasus en in de Hoge Atlas lagen op hoogten van bijna 2500 m.
Net als de zwarte wouw is ook de rode wouw grotendeels een voedselgeneralist, maar in tegenstelling tot deze is hij een doeltreffendere, actieve jager. Vis en aas eet hij weliswaar eveneens, maar zeldzamer dan de zwarte wouw. Individueel verschillen de voedsel- en jachtgewoonten behoorlijk. Tijdens de broedtijd bestaat het hoofdvoedsel uit kleine zoogdieren en vogels. Naar hoeveelheid en gewicht overheersen bij de zoogdieren veldmuizen (Microtus sp.) en mollen (Talpidae), bij de vogels zeer opvallend de spreeuw. Ook verschillende duiven (Columbidae), kraaiachtigen (Corvidae) en grotere lijsters (Turdidae), zoals merels (Turdus merula), kramsvogels (Turdus pilaris) en grote lijsters (Turdus viscivorus), worden relatief vaak geslagen. Daar waar de hamster (Cricetus cricetus) nog vergelijkenderwijs vaak voorkomt, bijvoorbeeld in Oost-Polen, kan deze de voornaamste prooi worden. Vaak gaat het bij geslagen vogels om gewonde of zieke individuen of om jonge dieren. In waterrijke gebieden kunnen vissen, onder hen vooral witvissen zoals voorns (Rutilus rutilus) en brasems (Abramis brama), qua gewicht domineren. De rode wouw bemachtigt zowel levende als dode of stervend aan het wateroppervlak drijvende of aan de oever aangespoelde vissen. Niet onaanzienlijk is de hoeveelheid ongewervelden die de rode wouw zowel in de vlucht als op de grond opneemt. Vooral in het voorjaar kunnen verschillende kevers (Coleoptera) en regenwormen (Lumbricidae) een belangrijk voedselbestanddeel zijn. Het aandeel reptielen en amfibieën in het totale voedselaanbod is regionaal sterk verschillend, in zuidelijke populaties in de regel iets groter dan in Midden- of Noord-Europa.
De rode wouw is een zoekvliegjager van open landschappen, die grote delen van zijn voedselgebied in een relatief lage en langzame glij- en zweefvlucht systematisch naar prooi afzoekt. Hij is een verrassingsjager, die bij een mislukte aanval doorgaans afdraait en de gemiste prooi niet verder achtervolgt. Niet zelden is hij ook lopend op de grond te zien, waar hij vooral naar insecten en regenwormen zoekt. Bespeurde prooidieren pakt de rode wouw al overvliegend van de grond op, zonder daarbij te landen. Ook vissen pakt hij op de manier van de zeearend van het wateroppervlak en draagt ze weg. Vogels weet hij soms in de vlucht of op takken te verrassen en te slaan, meestal echter buit hij ze op de grond. De prooidieren doodt hij doorgaans niet met de klauwen, maar door krachtige snavelhouwen.
Rode wouwen beroven ook andere vogels, vooral zwarte wouwen, kraaien en meeuwen. Zij jagen hen als prooiparasiet de prooi af of vallen hen zo lang lastig totdat zij reeds doorgeslikt voedsel weer uitbraken. Vooral in de winter lijkt deze manier van voedselverwerving een niet onaanzienlijk deel van de voedselbehoefte te dekken.
Al met al is de rode wouw zeer flexibel in zijn voedselverwervingsstrategieën en benut gunstige gelegenheden behendig. Waar door maai- en oogstwerkzaamheden voorheen ontoegankelijke prooi wordt blootgelegd, zijn rode wouwen snel ter plaatse. Tot aan het omploegen bieden ook geoogste velden goede voedselbronnen, waar rode wouwen zich vlot op kunnen instellen.
Bij voldoende voedselaanbod en buiten de broedtijd begint de rode wouw pas enige tijd na zonsopgang met de eerste prooivluchten en kan zijn jachtvluchten al enkele uren voor zonsondergang beëindigen. Overdag houdt hij, meestal in de buurt van het nest, langere rustpauzes, die hij ook gebruikt voor intensieve verenverzorging.
De grootte van het voor voedselvergaring gebruikte gebied hangt af van het betreffende aanbod aan prooidieren. Verschillende onderzoeken hebben uitgewezen dat voedselvluchten zelden verder dan twee kilometer van het nest wegvoeren. Meestal blijft de naar voedsel zoekende vogel binnen het zicht van het nest.
De activiteitsperiode is bij een goed aanbod aan prooidieren opvallend kort, maar kan, vooral tijdens het broedseizoen, al in de vroege ochtendschemering beginnen en pas bij het invallen van de duisternis eindigen. Toch last de rode wouw tussen de jachtvluchten telkens uitgebreide rustpauzes in, ook wanneer de nestjongen in de onmiddellijke nabijheid energiek bedelen.
Buiten het broedseizoen is de rode wouw zeer gezellig en vertoont hij geen territoriaal gedrag. De soort overnacht bijna altijd in grotere slaapgemeenschappen en vliegt ook gezamenlijk op jacht. Deze slaapgemeenschappen kunnen enkele honderden individuen omvatten. Vaak is in deze wouwenverzamelingen «speels» gedrag te zien, zoals onderling plagen en synchrone vliegspelletjes van enkele vogels. Soms breken rode wouwen tijdens de vlucht dennenappels af om ze gewoon te laten vallen.
Ook tijdens het broedseizoen is territoriaal gedrag niet erg uitgesproken, maar beide partners verdedigen het nest en de wijdere omgeving ervan (tot ongeveer 100 meter) evenals het daarboven gelegen luchtruim tegen soortgenoten en indringers van andere soorten. Daarbij stijgen de wouwen hoog op en vallen de indringer vrij energiek van bovenaf aan. Meestal achtervolgt vooral het mannetje hem een tijdje, terwijl het vrouwtje vrij snel naar het nest terugkeert. Een eigen voedselgebied claimt de rode wouw doorgaans niet; alleen bij een zeer gering voedselaanbod vertonen alleen broedende paren ook in dat opzicht territoriaal gedrag. Rode en zwarte wouwen kunnen zeer dicht bij elkaar broeden. Bij geschillen over een gunstige nestplaats of een reeds gebouwd nest trekt hier doorgaans de rode wouw aan het kortste eind.
De trekstrategieën van deze soort zijn niet uniform. Over het geheel genomen wordt in de laatste twee decennia een verkorting van de trekroutes en een toenemend verblijf van de soort in voorheen 's winters verlaten broedgebieden vastgesteld. Sneeuwarmere winters en een groter, altijd beschikbaar voedselaanbod op vuilnisbelten en langs druk bereden wegen maken het ook voor veel midden- en enkele noord-Europese populaties mogelijk om tijdens de winter in het broedgebied te blijven. De grootste winterbestanden in Midden- en Noord-Europa bevinden zich in het noordelijke Harzvoorland, in Zwitserland (bijvoorbeeld bij Neerach), in Baden-Württemberg en in Zuid-Zweden. In enkele overwinteringsgebieden in Zwitserland en in Zuid-Zweden werden (en worden) de overwinteraars door bijvoeren ondersteund. In Baden-Württemberg nam het aantal overwinterende rode wouwen met de sluiting van enkele vuilnisbelten geleidelijk af.
De meerderheid van de noord- en midden-Europese rode wouwen verlaat echter in de herfst het broedgebied en trekt naar het zuidwesten, in het bijzonder naar Spanje. De broedvogels van het zuidwestelijke Midden-Europa, Italië, Frankrijk en Spanje alsook de weinige rode wouwen van Zuidoost-Europa en Noord-Afrika zijn daarentegen overwegend standvogels, met verschillend uitgestrekte voedselvluchten binnen het overwinteringsgebied. In Spanje vallen de overwinteringsregio's samen met de broedgebieden van de daar residente rode wouwen. Deze liggen vooral in de noord- en zuid-Meseta, in het Ebrobekken, in de Extremadura en in delen van Zuid-Andalusië.
Rode wouwen trekken overdag en meestal afzonderlijk of in kleine groepen. Op de wegtrek zijn de trekgemeenschappen in de regel individurijker dan op de terugtrek. Vanwege de relatief korte trekafstanden verlaten rode wouwen pas laat het broedgebied, zelden voor half september, de meeste in de eerste helft van oktober. De vrouwtjes trekken ongeveer een tot twee weken voor de mannetjes weg. Omgekeerd verschijnen zeer vroeg, al medio februari, de eerste trekkende rode wouwen weer in het broedgebied, de meerderheid volgt eind februari en in de eerste dagen van maart. Een groot deel van de eenjarige en veel tweejarige rode wouwen trekt op hun eerste terugtochten niet naar het broedgebied terug, maar brengt de zomer ofwel in het overwinteringsgebied door ofwel zwerft in kleinere gezelschappen rond in Zuid- en Midden-Frankrijk, deels ook in Zwitserland.
Rode wouwen worden in uitzonderlijke gevallen al in hun eerste levensjaar geslachtsrijp, maar broeden meestal pas in hun derde levensjaar voor het eerst. De aard en duur van de paarbinding variëren. Grotendeels monogame broedseizoenhuwelijken zijn de regel, maar er werden zowel meerjarige duurzame verbintenissen als partnerwisselingen tijdens de broedtijd waargenomen. Bij standvogels lijkt de paarbinding stabieler te zijn dan bij trekvogels, waarbij ook de door het trekgebeuren hogere uitvalpercentages tot frequentere partnerwisseling dwingen. De soort is zeer broedplaatstrouw. Ook geslachtsrijpe jonge vogels proberen zich meestal in de directe omgeving van hun geboorteplaats te vestigen, zelfs wanneer er in een ruimere omtrek geschikte broedplaatsen beschikbaar zouden zijn. Dat leidt volgens Walz in dichtbevolkte rodewouwhabitats bij gebrek aan geschikte broedplaatsen tot een verhoging van de leeftijd waarop voor het eerst gebroed wordt.
Bij in Midden- en Oost-Europa overwinterende vogels werd baltsgedrag gedurende de gehele overwinteringsperiode vastgesteld. In het broedgebied komen de latere partners vaak met tussenpozen aan, niet zelden tot wel twaalf dagen later (in uitzonderlijke gevallen tot wel vier weken), waarbij het vrouwtje of het mannetje als eerste kan verschijnen. Sommige arriveren al los verpaard in het broedgebied. Daar beginnen de standvogels al half tot eind februari met de hoofdbalts, de trekvogels gemiddeld ongeveer twee tot drie weken later.
De balts van de rode wouw is niet erg opvallend. In wezen bestaat deze uit het bouwen van het nest, gezamenlijke vluchten boven de nestlocatie en frequente paringen, die tot in de nestperiode aanhouden. Het vrouwtje nodigt uit tot paring met zachte trillende roepen, een horizontaal gebogen lichaamshouding en gebogen kop. Meestal vliegt het mannetje daarop direct op zijn partner af en landt op haar rug. Spectaculaire steile duikvluchten boven het nestgebied, waarbij twee volwassen vogels zich in elkaar verstrengelen, komen bij de rode wouw net zo voor als bij vele andere roofvogels. Na de evaluatie van verschillende onderzoeken over dit onderwerp wordt dit als «cartwheeling» aangeduide gedrag tegenwoordig meestal geïnterpreteerd als het afweren van rivalen. Het is ook denkbaar dat dit gedrag zowel bij het afweren van rivalen als – in aangepaste vorm – als baltsritueel optreedt. Reeds tijdens de nestbouwfase staakt het vrouwtje grotendeels haar eigen voedselvluchten en wordt vanaf dat moment door het mannetje verzorgd, totdat zij ongeveer twee tot drie weken na het uitkomen weer zelf deelneemt aan het verzamelen van voedsel.
De horstbouw of het herstel van een oude horst begint onmiddellijk na de aankomst van de partners in het broedgebied. Horstlocaties en horstbomen zijn zeer uiteenlopend, in Midden-Europa gaat het echter voornamelijk om eiken, beuken of dennen. Rotsbroedsels komen voor bij de populaties op de Balearen en bij de Noord-Afrikaanse rode wouwen. Heel zelden werden ook horstlocaties op vakwerkmasten vastgesteld. Meestal liggen de horsten relatief hoog en in stevige bomen, maar er werden ook zeer laag gelegen nesten in zwakke bomen vastgesteld. Rode wouwen kiezen graag nestbomen langs steile hellingen of boven rotswanden, bij voorkeur op randlocaties, of in sterk uitgedunde bestanden. De nestbasis is meestal een stevige stamvertakking, zeldener een vertakking in een stevige zijtak. Aan de horstbouw nemen beide partners deel. Het basisgeraamte bestaat uit stevige takken en twijgen, die zij van de grond oprapen of met de snavel of de klauwen van bomen afrukken. De horst bekleden de vogels met uiteenlopend, zacht, organisch materiaal, maar ook met cultuurafval zoals folies, plastic zakken of bindgaren. Dit laatste leidt niet zelden later tot de wurging van een nestjong. Plastic materialen verhinderen een evenwichtige luchtcirculatie en kunnen leiden tot doorweken en onderkoeling van de jongen.
De grootte van de horsten van rode wouwen is zeer variabel. Ze kunnen opvallend klein en vrij slordig in elkaar gezet zijn, met diameters tussen slechts 45 en 60 centimeter. Meerjarig gebruikte nesten zijn echter massieve constructies met een diameter van een meter en meer, bij een hoogte van meer dan 40 centimeter.
Het legsel bestaat meestal uit drie eieren, zelden uit een, twee of vier eieren. Er zijn ook al legsels met vijf eieren gevonden. De eieren wegen ongeveer 60 gram en meten gemiddeld 57 × 45 millimeter. Qua grootte en vorm komen ze overeen met een middelgroot kippenei. Op een troebelwitte ondergrond vertonen ze in verschillende mate uitgesproken roodbruine vlekken alsook zwartachtige slingers. In Midden-Europa begint het leggen op zijn vroegst eind maart, maar in de regel pas begin tot half april. Tot in mei kunnen verse legsels worden gevonden. In Zuid-Europa begint het leggen ongeveer twee weken eerder, in de noordelijkste verspreidingsgebieden niet vóór eind april, begin mei. Rode wouwen broeden slechts eenmaal per jaar; alleen bij vroeg verlies van het legsel komt het tot een vervanglegsel, meestal in een ander nest.
De eieren worden bijna uitsluitend door het vrouwtje gedurende ongeveer 32 tot 33 dagen al na het eerste ei intensief bebroed, zodat de jongen met duidelijke ontwikkelingsverschillen worden grootgebracht. Slechts voor korte tijd neemt het mannetje het broeden over. In de eerste twee tot drie weken blijft het vrouwtje bijna voortdurend bij het nest, beschermt en beschaduwt het de nestjongen en voert het het door het mannetje aangedragen voedsel, dat vooral uit kleine zoogdieren en vogels bestaat. De nestjongentijd bedraagt, afhankelijk van weer en voedselaanbod, tussen 48 en 54 dagen. In extreme gevallen vliegen de jongen pas na 70 dagen uit.
Het wezenlijke gevaar voor de nestjongen ligt – afgezien van gebrek aan voedsel – in de predatie door de havik. De begeleidingstijd is, vergeleken met die van jonge zwarte wouwen, vrij kort en bedraagt zelden meer dan drie weken. Daarna verspreiden de jonge vogels zich, en meestal verlaten ook de oude vogels de directe omgeving van het nest.
In de vrije natuur werden af en toe gemengde broedsels tussen rode en zwarte wouw vastgesteld. De zwarte wouw was meestal de vrouwelijke vogel. Ook succesvolle broedsels tussen een mannelijke zwarte wouw en een hybride vrouwtje werden bekend. In gevangenschap komen zulke gemengde broedsels vaker voor. In het natuurpark Aukrug in Midden-Holstein broedde een gemengd paar zes jaar achtereen met succes. Nadat de rode wouw uitbleef, trad blijkbaar een hybride uit een voorgaand broedsel in zijn plaats.
De rode wouw is een van in totaal drie soorten van het geslacht Milvus. Naast de nominaatvorm Milvus milvus milvus werd ook de ondersoort M. milvus fasciicauda beschreven, die endemisch voorkomt op de westelijke en zuidwestelijke eilanden van Kaapverdië. Deze ondersoort werd voor het laatst in 1999 met twee individuen vastgesteld. Alle daarna gevangen en geanalyseerde wouwen van Kaapverdië waren zwarte wouwen van de nominaatvorm Milvus migrans migrans. M. milvus fasciicauda lijkt dus uitgestorven te zijn. De taxonomische positie van de Kaapverdische wouw blijft onduidelijk: het zou een reliktsoort kunnen zijn geweest die bestond vóór de scheiding van de twee soorten rode wouw en zwarte wouw, of een grotendeels gestabiliseerde hybride tussen deze twee soorten. Moleculair-genetisch onderzoek aan museumhuiden uit het late 19e eeuw toonde echter aan dat vogels met de voor fasciicauda kenmerkende eigenschappen in de rode-wouw-clade moeten worden ingedeeld.
Duidelijke afnames in de belangrijkste broedgebieden leidden ertoe dat de Wereldnatuurbeschermingsunie (IUCN) de populatie op de Rode Lijst aan het begin van het millennium opwaardeerde naar NT (= near threatened).[24] Vanwege de groeiende populatie wijzigde de IUCN in 2021 de classificatie naar LC (= least concern, niet bedreigd).
De redenen voor de tussen 1990 en 1996 geleden achteruitgang in de populatie liggen vooral in de intensivering en omschakeling van de landbouw. Dit had bijzonder negatieve gevolgen na de Wende voor de rode wouwpopulaties in het oosten van Duitsland, waar regionaal verliezen van meer dan 50 procent en een duidelijke daling van de voortplantingscijfers werden vastgesteld. Belangrijke factoren waren de verslechtering van de voedselbeschikbaarheid door verschuiving van de maaitijdstippen als gevolg van de toegenomen teelt van wintergraan en koolzaad, evenals een teruggang van de rundveehouderij – met tegelijk minder weidebeheer en groenvoederteelt met regelmatig maaien. Verder dragen verkeer, secundaire vergiftiging door het opnemen van vergiftigde prooidieren, vervolging door opzettelijke vergiftiging, afschot evenals ongevalsverliezen aan bovengrondse leidingen en windturbines bij aan de teruggang. Ernstig zijn bovendien verliezen door illegaal afschot, voornamelijk tijdens de vogeltrek en in de overwinteringsgebieden. Als gevolg daarvan keren veel dieren in het voorjaar niet terug. In de broedgebieden treden broedverliezen op door bosbouwwerkzaamheden in de broedtijd nabij het nest. Ondanks strikte verboden en regelgeving volgens de EU-vogelrichtlijn bestaan hier nog enorme tekorten wat betreft de controle.
Het onderzoeksproject Life-Eurokite, dat tot begin 2022 de doodsoorzaak van 556 met GPS-zenders uitgeruste dode rode wouwen onderzocht, kwam tot het tussentijdse resultaat dat het grootste gevaar voor rode wouwen in Europa vergiftigd aas is. De rode wouwen sterven daarbij na het eten van vergiftigde kleine zoogdieren zoals ratten en muizen. Daarna volgden het wegverkeer, illegaal afschot, elektrocutie aan elektriciteitsmasten, ongevallen met spoorvoertuigen en op de zevende plaats windturbines. Volgens onderzoeksleider Rainer Raab is een botsing van een rode wouw met een windturbine een «uiterst zeldzame gebeurtenis», die vooral optreedt wanneer een rode wouw na een lange vlucht uitgeput is of het zicht slecht is. In een persbericht stelde het onderzoeksproject Life-Eurokite na de uitzending van het Frontal-rapport vast: «Deze resultaten zijn niet zonder meer over te dragen op het actuele debat over doodsoorzaken van de rode wouw in Duitsland (ook al werd dit in het item zo voorgesteld), aangezien de doodsoorzaken in Europa ongelijk verdeeld zijn. Zo komen bijvoorbeeld vergiftigingen en illegaal afschot evenals elektrocutie aan elektriciteitsleidingen in Duitsland aanzienlijk minder vaak voor dan in andere Europese landen» en komen tot de conclusie: «Het is bij de huidige stand van het project niet uit te sluiten dat er in de toekomst verschuivingen optreden in de frequentie van de doodsoorzaken.» Een kort na het Frontal-rapport gepubliceerd standpunt van de „Werkgroep Rode Wouw” trok voor Duitsland uit dit en ouder datamateriaal andere conclusies en bekritiseerde de systematiek van de Life-Eurokite-studie. De onderzoekers benadrukten dat in de afgelopen 15 jaar botsingen met windturbines met 15% een van de meest voorkomende doodsoorzaken waren, zowel bij eerstejaars als bij oudere vogels, en in vergelijking met eerdere decennia duidelijk waren toegenomen.
Over de in windparken gevonden slachtoffers van botsingen geeft een sinds 2002 door het staatlijke Vogelschutzwarte Brandenburg bijgehouden botsingsstatistiek uitsluitsel. Bij de rode wouw lag dit aantal tussen 2002 en mei 2021 op in totaal 629 in Duitsland; alleen buizerds waren met 683 slachtoffers vaker getroffen. Deze cijfers laten geen conclusie toe over de gevolgen van botsingen voor de populatie. Ook de tot dusver omvangrijkste studie over dit onderwerp (PROGRESS-studie, 2016) kon deze vraag niet beantwoorden. Bij een in 2019 uitgevoerde vergelijking van de populatieontwikkeling van de rode wouw door de Dachverband Deutscher Avifaunisten van 2005 tot 2014 met de dichtheid aan windturbines in het jaar 2015 bleken er regionale verschillen te zijn. Er waren duidelijke toenames van de stand in zuidwest- en West-Duitsland, uitsluitend in gebieden waar tot nu toe vrijwel geen windturbines stonden, daarentegen duidelijke afnames van de stand in districten met een hoge dichtheid aan windturbines, bijvoorbeeld in Saksen-Anhalt en Oost-Westfalen. Gemiddeld bleek er een hoogsignificante negatieve correlatie te bestaan tussen de verandering van de stand van de rode wouw en de dichtheid aan windturbines op districtsniveau, dat wil zeggen: bij toenemende dichtheid van windturbines daalt het aantal rode wouwen. Op basis van de meest recente gegevens hebben IUCN en BirdLife International de rode wouw echter niet langer als bedreigd ingedeeld.
Rode wouwen kunnen erg oud worden. Een in vrijheid aangetroffen rode wouw was bijna dertig jaar oud. De werkelijke levensverwachting van in het wild levende vogels is echter aanzienlijk lager. In een onderzoek uit 2009 was 2/3 van de 44 in Thüringen gevangen rode wouwen tussen de drie en zeven jaar oud. Slechts 16 % was ouder dan 10 jaar.
Vooral de eerste trek loopt voor veel rode wouwen dodelijk af. Aan het einde van het eerste levensjaar leeft ongeveer 60–65 procent van een geboortejaargang. Met groeiende ervaring vertraagt het uitvalpercentage, zodat na drie jaar nog ongeveer 35–45 procent van een jaargang in leven is en tot broeden kan komen. Deze cijfers zijn echter van veel factoren afhankelijk, zodat ze slechts als benaderingswaarden moeten worden gezien. Voedseltekort, afschot, botsingen met hindernissen en stroomleidingen alsook vergiftigingen zijn de meest voorkomende vroege doodsoorzaken.
Wat onderneemt Wild beim Wild voor de bescherming van de rode wouwen?
Wij zetten ons in voor het behoud van populaties en hun leefgebieden en voor het met elkaar verbinden ervan. Natuurlijke corridors maken genetische uitwisseling tussen afzonderlijke populaties mogelijk. Niet alleen de bescherming van predators, maar ook van hun prooidieren is een wezenlijk onderdeel van ons werk. Dit doen wij door de wilde dieren waar mogelijk te beschermen tegen onnodige jacht en stroperij.
Dierportretten










