Het imago is het product, niet de praktijk
Hoe de jachtvoorzitter van de Jura laat zien dat de hobbyjacht haar eigen aanspraken op dieren- en natuurbescherming systematisch ondermijnt.
Het kanton Jura is volgens de voorzitter van de kantonale jagersvereniging zelf het enige kanton van Zwitserland dat van zijn hobbyjagers een wettelijke plicht tot één werkdag per jaar ten gunste van de natuur eist.
Eén en dezelfde man staat voor deze plicht als uithangbord van zijn vereniging, bestrijdt publiekelijk de terugkeer van wolf en lynx, drijft het voorstel voor de in Zwitserland verboden boogjacht voort en positioneert zich met zijn vereniging tegen een verbod op loodmunitie. Vier rollen, één persoon, één patroon.
Het symbool van de hegeplicht: acht uur per jaar
Nicolas Wallimann is voorzitter van de Fédération cantonale jurassienne des chasseurs (FCJC), de kantonale jagersvereniging. In deze functie is hij het gezicht van de Jurassische bijzonderheid dat hobbyjagers voor hun jachtvergunning wettelijk één werkdag op het gebied van het natuurerfgoed moeten verrichten, naar keuze af te kopen met een betaling van 200 tot 500 frank. Deze regeling is «cas unique en Suisse», een in Zwitserland uniek geval, zoals de regionale zender RFJ het verwoordt. Een vergelijking met andere patentjacht-kantons bevestigt dit op één beslissend punt: Graubünden eist minstens 30 uur «hegewerk» en Ticino meerdere verplichte dagen met wildtellingen, biotoopwerk, schietoefening en vleeshygiëne, maar in beide kantons geldt dit slechts eenmalig voor kandidaten tijdens de opleiding, voordat zij überhaupt een jachtvergunning ontvangen. De Jura is daarmee inderdaad het enige tot dusver gevonden kanton waarin een natuurbeschermings-werkplicht jaarlijks en voor alle reeds gelicentieerde Patenthouder geldt, niet slechts eenmalig voor nieuwelingen. Wallimann zelf becijferde de daadwerkelijke omvang van de Jurassische verplichting tegenover de media op acht uur per hobbyjager en per jaar, verdeeld over zo'n 400 jachtvergunninghouders, in totaal ongeveer 3’200 uur voor het snoeien van heggen, bosopeningen, drinkplaatsen en biotoopbeheer. Opmerkelijk daarbij: de jagersfederatie stelt de inhoud van deze werkdagen niet zelfstandig vast. Volgens de Jurassische jachtverordening werkt zij de jaarlijkse richtlijnen daarover uit «in samenwerking met de Dienst voor Waterlopen en Natuurbescherming» en moet ze deze ter goedkeuring voorleggen aan het bevoegde departement. Wat er tijdens deze acht uur concreet gebeurt, beslist de jagerij bijgevolg niet alleen, maar samen met de kantonnale vakdienst en onder goedkeuring van het bevoegde departement.
Wat andere kantons laten zien: Bern als tegenvoorbeeld
Bern toont een derde model en maakt het contrast met de Jura extra duidelijk. In plaats van een persoonlijke werkplicht verlangt het kanton van zijn hobbyjagers en -jaagsters slechts een «hegetoeslag» van maximaal 150 frank voor kantoninwoners, tot 700 frank voor buitenstaanders, die vloeit in een door de staat beheerde «hegekas». Het kasvermogen wordt jaarlijks tussen 100’000 en 500’000 frank gehouden. Het geld mag volgens de jachtverordening voor twee doeleinden worden gebruikt: maatregelen ter behoud of herstel van leefgebieden en soortenrijkdom, alsook jachtgerelateerde uitgaven voor de zoekhulp. Aanspraak op de bijdrage hebben niet alleen hobbyjagers, maar alle privaatrechtelijke organisaties of individuele personen die een subsidiabel project uitvoeren, met jaarlijkse verantwoordingsplicht tegenover de beherende instantie.
Ook bij het praktische wildbeheer zelf toont zich in het kanton Bern een geprofessionaliseerd model. Wie een wildongeval meldt, wordt niet doorverwezen naar een jachtpachter of een lokale jachtvereniging, zoals gebruikelijk is in revierjachtsystemen in Zwitserse revierkantons, maar naar de bevoegde, door het kanton in dienst genomen wildhoeder, dagelijks bereikbaar van 7 tot 19 uur via een centraal nummer. Buiten deze tijden neemt de politie de oproep aan. In jachtvrijgebieden zijn de wildhoeders volgens de kantonale jachtverordening zelfs uitdrukkelijk aangemerkt als «kantonale ambtenaren», en tot hun wettelijke taken behoort expliciet de «organisatie en uitvoering van nazoekingen van gewonde dieren». Wie de melding na een wildongeval nalaat, maakt zich strafbaar, aldus de kantonspolitie Bern uitdrukkelijk.
Dat is ook daarom opmerkelijk, omdat de jachtlobby wildongevallen van oudsher graag aanvoert als paradepaardje voor zogenaamd «kosteloos», «vrijwillig» werk. De vereniging JagdZürich schrijft bijvoorbeeld dat jagers «gewond wild bergen en op elk uur van de dag en nacht uitrukken voor wildongevallen» en «hun tijd graag uitgebreid en kosteloos ter beschikking stellen». Twee kanttekeningen relativeren dit beeld. Ten eerste is het werk niet werkelijk kosteloos: bij valwild, dat zonder toedoen van derden sterft, mag de reagerende persoon het vlees volgens opgave van de kantonale vakdienst «naar eigen goeddunken voor zichzelf gebruiken»; verkopen mag hij het weliswaar niet, maar het persoonlijke voordeel blijft bestaan. Het kanton Nidwalden gaat in zijn jachtverordening zelfs nog verder en schrijft voor dat valwild «voor zover mogelijk ten gunste van het kanton moet worden benut», niet eens ten gunste van de individuele hobbyjager, alleen de trofee blijft daar bij de jachtgerechtigde. Ten tweede toont het voorbeeld Bern aan dat dit werk ook professioneel en kantonaal georganiseerd kan worden: waar een bezoldigd wildbeheer bestaat, kan dit de taak overnemen, ongeacht of particuliere jachtvergunninghouders beschikbaar zijn.
Bern heeft deze consequentie al getrokken. Sinds een reorganisatie van de wildbeheerdienst per 1 januari 2014 rukt bij nachtelijke wildongevallen niet meer de wildhoeder of hobbyjager uit, maar de kantonnale politie. De toenmalige Bernse jachtinspecteur Peter Juesy motiveerde de wijziging onomwonden financieel: zijn wildhoeders zouden jaarlijks alleen al met nachtelijke inzet rond 5’000 overuren hebben opgebouwd, waartegenover slechts inkomsten van 40’000 tot 50’000 frank stonden uit de verkoop van door ongevallen gedood wild, «een belangrijke reden om het niet meer te doen», aldus Juesy tegenover SRF in september 2013.
Wat er van het verhaal van de «vrijwillige dienst» overblijft
De aan het begin geciteerde zelfvoorstelling van de jachtlobby, dat wildongevallen een schoolvoorbeeld van onbaatzuchtig, onbezoldigd engagement zouden zijn, houdt bij nadere beschouwing dus vanuit meerdere richtingen geen stand. Structureel toont Bern aan dat de taak zonder hobbyjagers oplosbaar is. Economisch blijkt dat ze nooit helemaal onbezoldigd was: naast het persoonlijke voordeel van het vlees van gevallen wild komt er in Zwitserland een tweede, kleine maar reële inkomstenbron bij, de pelshandel. Op traditionele bontmarkten zoals die in Altstätten, die sinds 1802 plaatsvindt, of in Lichtensteig en in het kanton Schwyz verkopen jagers hun ruwe vellen rechtstreeks aan opkopers, laatstelijk bijvoorbeeld voor 8 frank per rodevossenvel met staart of 15 frank per marterhuid. De bedragen zijn bescheiden, maar spreken het idee van een puur altruïstisch engagement zonder enige materiële tegenwaarde tegen. Wat het vlees zelf betreft, verwijzen we naar onze uitgebreide analyse over gezondheidsrisico's van wildbraad, en wat de macro-economische totaalrekening van de hobbyjacht betreft, inclusief de kosten voor wildongevallen, nazoekacties en politie- en justitie-inzet, naar ons dossier over de werkelijke kosten van de hobbyjacht in Zwitserland.
Dezelfde voorzitter tegen wolf en lynx
Wat acht uur verplichte inzet per jaar niet laat zien: bij de opening van het jachtseizoen 2023 verklaarde Wallimann publiekelijk dat het kanton Jura niet geschikt was voor de aanwezigheid van de wolf, en dat samenleven onmogelijk was. Op de afgevaardigdenvergadering van de FCJC in maart 2024 bevestigde hij deze houding: de grote predatoren bleven een bron van zorg, hun aanwezigheid kon het «goede evenwicht» van de wildbestanden verstoren, aldus Wallimann tegenover de regionale zender RFJ. Bij diezelfde gelegenheid liet hij zich ook kritisch uit over een kantonnaal project voor nieuwe jachtverbodszones in de gevoelige wetlands La Gruère, Les Royes en La Chaux-de-Breuleux: de geplande perimeters omvatten volgens hem ook landbouwgronden die geen bescherming nodig hadden, en zouden moeten worden verkleind.
Wolf en lynx reguleren de reeënbestanden op natuurlijke wijze, geheel zonder jachtakte, vergiftiging van het ecosysteem met jachtmunitie, vervangende afdracht of verenigingsevenement. Vanuit het oogpunt van een jacht die aanspraak maakt op afschotmogelijkheden op reeën en hoefwild, kunnen zij daarmee als concurrenten verschijnen in plaats van als bondgenoten in de beweerde gezamenlijke natuurbescherming.
Het voorstel voor de boogjacht
Op de voorzittersvergadering van JagdSchweiz in april 2025 bracht Wallimann nog een onderwerp in, gebaseerd op een voorstel uit het kanton Jura: de boogjacht. De vergadering gaf de koepelorganisatie de opdracht om de belangstelling voor en acceptatie van deze jachtmethode landelijk te onderzoeken, en publiceerde een vragenlijst, aangeprezen met de afbeelding van een zonnepark, waar boogjacht in plaats van vuurwapens zou kunnen worden ingezet.
Boogjagen is in Zwitserland al decennialang verboden op federaal niveau: pijl-en-boog behoort tot de niet-toegestane jachtmiddelen, een verbod dat aansluit bij de dierenwelzijnsgedachte om onnodige verwondingen en langdurig lijden te voorkomen. Een analyse van ongeveer twee dozijn Noord-Amerikaanse studies over boogjagen laat zien waarom deze gedachte voor de hand ligt: gemiddeld komt men op een verwondingspercentage van 54 procent, dat wil zeggen dieren die niet meteen worden gedood, maar slechts worden aangeschoten. In de onderliggende studie van de Universiteit van Oklahoma naar 22 beschoten witstaartherten werden 11 dieren helemaal niet teruggevonden. De cijfers laten zich niet één op één overzetten op de Zwitserse situatie, maar wijzen wel op een aanzienlijk, systeemgebonden risico op mis- en verwondingsschoten. Een Britse studie naar de hertenjacht toonde bovendien aan dat elf procent van de dieren pas na twee of meer schoten stierf; sommige leden meer dan 15 minuten voordat de dood intrad.
En tegen een loodverbod
Op de eigen website van de FCJC is nog een aanwijzing te vinden voor diezelfde grondhouding: de vereniging linkt instemmend naar een bijdrage met de titel «Le National refuse d’interdire le plomb dans les munitions de chasse», het bericht dat de Nationale Raad een verbod op loodhoudende munitie bij de jacht heeft afgewezen, naast een verwijzing naar de eis van de Zwitserse Dierenbescherming (STS) om juist zo'n verbod.
De herziene federale jachtverordening bevat weliswaar sinds 1 februari 2025 een verbod op loodhoudende kogelmunitie vanaf kaliber 6 mm, maar dit verbod wordt pas van kracht per 1 januari 2030: tot en met 31 december 2029 blijft het gebruik van dergelijke munitie op grond van de overgangsbepaling uitdrukkelijk toegestaan. Dit betreft echter uitsluitend kogelmunitie voor grofwild zoals ree, hert of gems. Hagelmunitie, waarmee vogels en kleinwild worden geschoten, blijft volledig van het verbod uitgezonderd; buiten enkele beschermingszones voor moerasgebieden mag deze onbeperkt loodhoudend blijven worden gebruikt. Dat is geen bijzaak: het Zwitserse Vogeltrekstation Sempach heeft samen met het kanton Graubünden aangetoond dat steenarenden en lammergieren zich vergiftigen wanneer zij vlees of ingewanden met resten van loodhoudende kogel- of hagelmunitie opnemen. Bij met hagel geschoten vogels en kleine dieren verspreiden de loodkorreltjes zich door het hele lichaam van het dier, anders dan bij grofwild, waar loodfragmenten zich vooral concentreren in de verwijderbare ingewanden; wordt zo'n dier volledig opgegeten, dan valt de loodopname door aaseters niet te vermijden. Watervogels nemen hagelkorrels bovendien direct op als vermeend voedsel. Ook bij de mens is het risico gedocumenteerd: een STS-studie uit 2022 vond bij 5 van de 13 wildvleesmonsters uit Zwitserland loodwaarden boven de grenswaarde, het Federaal Bureau voor Voedselveiligheid waarschuwt expliciet voor loodresten bij het eten van wildbraad.
In de jurassische jachtwetgeving zelf, noch in de kantonnale jachtwet, noch in de kantonnale jachtverordening, is ook maar één eigen bepaling over munitie of lood te vinden die verder zou gaan dan de nieuwe federale regel.
Vier standpunten, een spanningsverhouding
Vier standpunten leveren een herkenbare spanningsverhouding op: de FCJC presenteert de jaarlijkse wildbeheerinspanning als bijdrage aan het natuurerfgoed. Tegelijkertijd vertegenwoordigt haar voorzitter standpunten die natuurlijke predatoren problematiseren, jachtverbodszones willen beperken, het onderzoek naar een bijzonder dierenwelzijnskritische jachtmethode aanzwengelen en zich verzetten tegen een verdergaand loodverbod.
Dat bewijst niet dat elke afzonderlijke wildbeheerinspanning zonder effect zou zijn. Het toont echter aan hoe eng het natuurbeschermingsbegrip van de jachtlobby afgebakend blijft: erkend wordt vooral wat de jachtuitoefening niet fundamenteel beperkt. Daar waar natuurbescherming of dierenwelzijn de mogelijkheden om te schieten, de jachtgebieden, wapens of munitie beperken, wordt de beweerde alliantie met de natuurbescherming al snel een conflict.
In het kanton Genève, dat de particuliere hobbyjacht sinds 1974 via een volksstemming heeft afgeschaft, stellen deze vragen zich in deze vorm zelfs helemaal niet. Noodzakelijke ingrepen worden uitsluitend verricht door betaalde, vast in dienst zijnde Gardes de l’environnement, met een duidelijke verantwoordingsplicht en nachtkijkers voor een hoog trefpercentage: «Wij kunnen ons niet één enkel ongeval veroorloven», zoals de Geneefse fauna-inspecteur Gottlieb Dandliker het formuleert. Het Geneefse model verschuift de verantwoordelijkheid naar door de staat aangestelde vakkrachten en maakt daardoor een andere vorm van verantwoording en kwaliteitscontrole mogelijk dan een systeem van meer dan 30’000 particuliere hobbyjaagsters en hobbyjagers structureel kan bieden. Dat juist uit een kanton met een wettelijk verankerde, zij het minimale natuurbeschermingsaanspraak het verzet tegen een verdergaand loodverbod en het voorstel voor de boogjacht komt, toont het verschil tussen een plicht op papier en een daadwerkelijk geleefde dierenwelzijnscultuur.
De IG Wild beim Wild documenteert hoe de jachtlobby haar eigen dierenwelzijnsaanspraken in de praktijk ondermijnt.
Meer over dit onderwerp: Boogjacht in Zwitserland: Duidelijk af te wijzen · Beschermen de Jurassische hobbyjagers meer dan ze jagen? · Kanton Jura: Jachtvoorzitter tegen wolf · Loodmunitie: Toxische erfenis van de hobbyjacht · Genève en het jachtverbod · Jagerslobby in Zwitserland · Wildvlees: Waarom er vaak aas op het bord ligt · Wat de hobbyjacht Zwitserland werkelijk kost
LAAT ONS IN CONTACT BLIJVEN!
Wij sturen je graag het laatste nieuws en de nieuwste aanbiedingen in de nieuwsbrief.
Steun ons werk
Met jouw donatie help je dieren te beschermen en hun stem gehoor te geven.
Nu doneren →