Dieren zijn medeschepselen, geen schietschijven
Van Franciscus van Assisi via de Hubertus-legende tot de boeddhistische geweldloosheid loopt er één ethische gedachte door de spirituele tradities
Een houdbaar, letterlijk jachtverbod is bij historische religieuze figuren zeldzaam. Legenden, latere toeschrijvingen en authentieke kernteksten moeten daarom zorgvuldig van elkaar worden gescheiden.
Wie dat doet, ziet toch een verbazingwekkende overeenkomst: over de religies heen geldt de eerbied voor kwetsbare levende wezens als sterke ethische tegenpositie tot de hobbyjacht.
Swami Sivananda en de geweldloosheid zonder uitzondering
Swami Sivananda heeft de jacht volgens de huidige stand van de bronnen niet uitdrukkelijk becommentarieerd. Uit zijn helder geformuleerde ethiek van ahimsa, de geweldloosheid en het niet-verwonden, volgt echter dat hij de vrijetijds- en trofeejacht resoluut zou hebben afgewezen.
Sivananda definieert ahimsa in de ruimste zin als het afzien van het toebrengen van pijn of schade aan enig levend wezen, op enig moment, door gedachten, woorden of daden. Voor deze regel bestaat er «geen verontschuldiging en geen uitzondering». Bijzonder ondubbelzinnig is hij bij het doden van dieren voor voedsel: hij noemt dit een «grote zonde» en bekritiseert mensen die onschuldige dieren doden om tong en gehemelte te bevredigen. Wanneer al het vermijdbare doden voor voeding wordt afgekeurd, geldt dat des te meer voor een jacht waarvan het doel vermaak, prestige of het bemachtigen van een trofee is.
Franciscus van Assisi en de broederschap van de schepselen
Franciscus van Assisi (1181/82 tot 1226) beschouwde dieren niet als objecten, maar als deel van een goddelijke familie: hij sprak over hen als broeders en zusters en erkende hen als zelfstandige schepselen. Zijn houding is daarom moeilijk te verenigen met de jacht als vrijetijdsbesteding, trofeejacht of machtsuitoefening, ook al is er geen overgeleverd uitdrukkelijk jachtverbod van hem gedocumenteerd.
Een vaak verspreid citaat, volgens welk Franciscus de hulp aan dieren als «eerste plicht» zou hebben bestempeld, is bronkritisch problematisch en laat zich in zijn gedocumenteerde geschriften niet zonder meer aantonen. Wat wel houdbaar is, is zijn gedocumenteerde broederlijkheid met alle schepselen, en die volstaat volop als ethische maatstaf.
De Hubertus-legende en de morele omkering
De Hubertus-legende vertelt dat de adellijke jager tijdens het achtervolgen van een hert Christus tussen diens gewei zag. Volgens dit verhaal vroeg Christus: «Hubertus, waarom vervolg je mij?», waarop Hubertus de jacht zou hebben afgezworen.
Historisch is deze legende niet als biografisch feit vastgesteld; in de overgeleverde vorm ontstond ze pas lang na Hubertus' dood. Toch bevat het verhaal een duidelijke morele omkering: niet de jacht wordt geheiligd, maar de jager ziet ervan af. Juist daarom is de uitleg van Hubertus als schutspatroon van een «weidelijke» jacht een openlijke tegenspraak met de centrale boodschap van de legende.
Boeddha en Mahavira: de consequente geweldloosheid
De Boeddha wordt meestal niet als «heilige» in christelijke zin beschouwd, maar hij is wel een centrale religieuze figuur van de geweldloosheid. De boeddhistische grondregel verlangt dat men geen levend wezen doodt, laat doden of het doden door anderen goedkeurt, en onderbouwt dit met medeleven voor alle levende wezens. De overlevering bekritiseert de jacht uitdrukkelijk: jagers, vissers en vogelvangers worden genoemd als beroepen die met ongunstige karmische gevolgen verbonden kunnen zijn. Volgens deze ethiek schaadt de jacht niet alleen het gedode dier, maar ook dieren die verwond vluchten en later aan hun verwondingen sterven.
Mahavira, de centrale leraar van het jaïnisme, vertegenwoordigt een van de meest consequente leerstellingen van de geweldloosheid. De jaïnistische ahimsa verlangt dat men alle voelende wezens zo veel mogelijk geen schade toebrengt. Jacht zou daarmee duidelijk onverenigbaar zijn, omdat ze bewust vervolging, angst, verwonding en dood veroorzaakt.
Paus Franciscus en de grens van de menselijke heerschappij
Paus Franciscus verklaart in «Laudato si’» dat het onjuist is om uit de bijzondere positie van de mens een «absolute heerschappij» over andere schepselen af te leiden. Hij stelt bovendien vast dat elke wreedheid tegenover een schepsel in strijd is met de menselijke waardigheid. Dat is geen uitdrukkelijk verbod op elke vorm van jacht, maar het stelt wel een duidelijke ethische maatstaf tegen vermijdbare dierenkwelling en tegen het reduceren van wilde dieren tot doelen, buit of trofeeën.
Opmerkelijk is dat de instelling Kerk deze maatstaf historisch zelf heeft gesteld: op het Concilie van Trente (1545 en 1563) verbood de katholieke Kerk haar nabije organen de deelname aan jachtactiviteiten, omdat het doden van een dier en het vergieten van bloed fundamenteel in strijd zou zijn met de aard van eredienst en religie. Deze lijn is ook terug te vinden in ons Argumentarium voor professionele wildhoeders.
Eén gedachte door alle tradities heen
Van Franciscus van Assisi via de Hubertus-legende tot de boeddhistische en jaïnistische geweldloosheid loopt er één ethische gedachte door verschillende spirituele tradities: dieren zijn medeschepselen, geen schietschijven. Waar de jacht vermijdbaar lijden, vervolging en doden om het plezier of het prestige voortbrengt, staat zij fundamenteel in strijd met deze gedachte.
Deze religieuze stemmen vormen een aanvulling op een lange reeks seculiere kritiek van Kant tot Jane Goodall. Een uitgebreidere verzameling vind je in onze bijdrage «Citaten over de jacht».
LATEN WE IN CONTACT BLIJVEN!
Wij sturen je graag het laatste nieuws en de nieuwste aanbiedingen via onze nieuwsbrief.
Steun ons werk
Met jouw donatie help je dieren te beschermen en hun stem te laten horen.
Doneer nu →