Wilde dieren als zondebokken: Wat de Franse bossen ziek maakt
Een nieuw Frans staatsrapport eist een «reguleringsschok» tegen herten, reeën en wilde zwijnen, maar een tegenanalyse toont aan dat de werkelijke oorzaken van het bossterven liggen in de industriële bosbouw, de versnippering van leefgebieden en het verstoringsregime van de hobbyjacht.
Het gezamenlijke rapport van de staat en ONF voor de periode 2026 tot 2030 verklaart de crisis van de Franse bossen vooral met de klimaatverandering en een vermeende overpopulatie van wilde hoefdieren.
De analyse van het «Collectif pour un Equilibre Forestier Naturel» spreekt dit tegen: niet wilde dieren maken de bossen ziek, maar monoculturen, kaalkap, zware ingrepen in bodems en een jachtpraktijk die zelf nieuwe schade veroorzaakt.
Het rapport en zijn vooringenomenheid
Het CGAAER-rapport n° 24100 en het IGEDD-rapport n° 015934-01 lezen op het eerste gezicht als een nuchter bestuurlijk document, maar hun politieke richting is duidelijk. Zij zetten in op een «choc de régulation des ongulés sauvages», dus op massaal verhoogde afschoten tot aan lokale uitroeiing toe. Tegelijk werkt het ingestelde nationale technische comité voor het «sylvo-cynegetische evenwicht» met een opvallende eenzijdigheid, omdat natuurbeschermingsorganisaties en onafhankelijke wetenschap daar niet vertegenwoordigd zijn.
De tegenanalyse maakt hiervan een systemische kritiek: wie het bos enkel als productieruimte en wilde dieren enkel als storende factor beschouwt, veroorzaakt precies die verkeerde sturing die hij later als natuurcrisis voorstelt. Dit punt is voor wildbeimwild.com centraal, omdat het de jacht niet als oplossing, maar als onderdeel van het probleem zichtbaar maakt. De tekst blijft daarmee niet bij moraal staan, maar bij de vraag naar macht, interpretatiemonopolie en valse oorzaken.
De mythe van de overpopulatie
De officiële logica steunt volgens de tegenanalyse vooral op afschotcijfers: meer onttrekkingen zouden automatisch meer dieren betekenen. De analyse noemt dat een zelfreferentieel model, omdat hoge afschotplannen eerst berusten op twijfelachtige aannames over de populatie en de latere uitvoering van de plannen vervolgens als bewijs voor die aannames dient. Een dergelijke werkwijze bewijst geen overpopulatie, maar de politieke en jachttechnische vooringenomenheid van het systeem.
Bijzonder duidelijk wordt dat aan de hand van het voorbeeld van de Forêt de Compiègne. Daar daalde de Indice Nocturne d’Abondance tussen 2006 en 2019 met 50,9 procent, terwijl het afschotquotum in 2020/21 ondanks reductie nooit volledig werd gehaald. Ook de leeftijdsstructuur spreekt tegen een stabiele of groeiende populatie: als 90 procent van de geschoten edelherten jonger is dan zes jaar, is dat geen teken van robuuste bestanden, maar een aanwijzing voor demografische verarming. De jachtlobby kan hier dus niet scoren met het gebruikelijke verhaal van de «exploderende wilddichtheid».
Wat het bos werkelijk verzwakt
De analyse legt de eigenlijke oorzaken bij de omvorming van het bos tot een industriële ruimte. In plaats van gevarieerde gemengde bossen domineren monoculturen, vooral douglasspar, fijnspar en grove den, daarbij kaalkap, verkorte omloopstijden en zware machines die de bodem verdichten en mycorrhizanetwerken vernietigen. Dat is niet slechts een kwestie van bosbeheer, maar een ingreep in de ecologische fundering van het systeem.
Daar komt de tweede industrialisering door de hobbyjacht zelf bij. Hoogzitten, schootsbanen, lokvoerplaatsen, drijfjachtinfrastructuren en in sommige regio's zelfs hekken fragmenteren de ruimtes nog verder. Het resultaat is een bos dat niet meer als complex ecosysteem functioneert, maar als opdeling tussen houtproductie en wildbeheer. Juist deze logica verscherpt de problemen die ze zogenaamd wil oplossen.
De hobbyjacht als verstoring
De tegenanalyse steunt hier op meerdere gedragsecologische studies. Jachtdruk verandert de activiteitspatronen, ruimtekeuze en fysiologie van de dieren, bijvoorbeeld door verhoogde stress, nachtactiviteit en het uitwijken naar dichtere, slechtere habitats. Dat is de «Landscape of Fear»: de dieren reageren niet op natuurlijke predatie, maar op menselijke vervolging.
Belangrijk is het verschil, want de hobbyjacht vervangt geen predator. Predatoren selecteren zwakke of zieke dieren en stabiliseren daarmee op de lange termijn populaties, terwijl hobbyjagers en jaagsters vaak dominante, zichtbare of trofeewaardige individuen onttrekken. Juist daardoor ontstaan selectieve en evolutionaire effecten die weinig met «regulering» te maken hebben. Wanneer dan vraatschade als rechtvaardiging voor nog meer jacht dient, kantelt het argument definitief in een cirkelredenering.
Genève als tegenvoorbeeld
Bijzonder sterk is de verwijzing naar het model van Genève. Sinds de volksstemming van 1974 bestaat daar geen hobbyjacht meer; het wildbeheer ligt bij professionele wildbeheerders van het kanton. Genève laat daarmee zien dat wildbeheer wel degelijk zonder vrijetijdsafschot functioneert. Dat weerlegt de bewering dat zonder hobbyjacht automatisch een ecologische chaos dreigt.
Ook internationale voorbeelden spreken tegen de dramatisering. In de Abruzzen, in Białowieża of in regio's zonder vossenjacht tonen zich stabiele of robuuste ecologische dynamieken, hoewel grote planteneters of predatoren aanwezig zijn. Doorslaggevend is dus niet het generieke afschot, maar de integriteit van de leefomgeving.
Bronnen:
- La chasse réguler ou dérégler?
- Les ongulés sauvages n’y sont pour rien : pour une remise à plat des causes réelles du dépérissement des forêts
LATEN WE IN VERBINDING BLIJVEN!
We sturen je graag het laatste nieuws en de nieuwste aanbiedingen in de nieuwsbrief.
Steun ons werk
Met jouw donatie help je dieren te beschermen en hun stem gehoor te geven.
Nu doneren →