Redding van wilde dieren
In het voorjaar, vanaf de maand april, begint de periode waarin duizenden reekitsen, jonge hazen, wilde konijnen, grondbroeders enz. door de boeren dodelijk verwond worden gemaaid.
Hoeveel Wilde dieren het er precies zijn, weet niemand zeker, maar men kan ervan uitgaan dat het in Zwitserland, volgens de federale jachtstatistiek, alleen al bij reekitsen jaarlijks minstens 1'500 jonge dieren betreft. Een dalende trend in het aantal gevallen is – ondanks het gebruik van nieuwe zoekmethoden – tot nu toe niet waarneembaar. Aangezien lang niet alle dieren die in de messen van een maaier terechtkomen meteen dood zijn, maar deels slechts min of meer ernstig gewond raken, gaat het bij het maaien onder meer ook om een ernstig dierenwelzijnsprobleem. Steeds snellere landbouwmachines en moderne oogstmethoden laten onze wilde dieren nauwelijks een overlevingskans.
Zonder voorafgaande waarschuwing mag tegenwoordig geen enkele weide of graanveld waar wilde dieren vermoed worden, gemaaid worden, omdat dit een overtreding van de dierenwelzijnswet zou zijn. Verantwoordelijke boeren lopen het perceel vóór het maaien af en maaien overdag van binnen naar buiten, om de wilde dieren een vluchtweg te geven.
Uitgangssituatie redding van wilde dieren
Reegeiten zetten hun kitsen voornamelijk in weiden dicht bij het bos. Het moederdier bezoekt het reekits in de eerste weken slechts kort om te zogen, vaak 's nachts, om niet door haar aanwezigheid vijanden op het spoor van de kleintjes te brengen. Het overleven van veel jonge dieren wordt zo verzekerd doordat ze zich onopvallend gedragen en zich bij gevaar plat op de grond drukken en roerloos blijven liggen. De jonge dieren zijn dankzij hun gevlekte vacht uitstekend gecamoufleerd. Het is een overlevingstactiek die tot ongeluk leidt. In het cultuurlandschap liggen de meeste reekitsen noodgedwongen in landbouwweiden. Bij het naderen van een maaimachine hebben ze geen enkele kans. Ze komen in het maaiwerk terecht, worden verminkt of blijven zwaargewond achter. Voor alle betrokkenen zijn dergelijke ongelukken verschrikkelijk.
Ook worden tegenwoordig onbetwistbaar meer jonge hazen gemaaid dan vroeger. Dit hangt echter niet zozeer samen met de grote werkbreedte en de hoge snelheid van de maaimachines, maar is in de eerste plaats een gevolg van het feit dat weiden en graslanden tegenwoordig soms elke zes tot zeven weken gemaaid worden. Vroeger waren er slechts twee sneden, namelijk een hooisnede en een nasnede. De hooisnede vond eind mei/begin juni plaats, de nasnede in augustus. Daardoor waren destijds de jonge hazen die in april geboren en in een weide gelegd werden, evenals degenen die eind juni/begin juli geboren werden, veilig voor de messen van de maaimachine. Tegenwoordig wordt echter bijna uitsluitend kuilgras gemaakt. Dat betekent dat een weide vier- tot vijfmaal in het zomerhalfjaar gemaaid wordt. Daardoor wordt tegenwoordig bijna elke jonge haas die in een weide gelegd wordt, door de maaidood getroffen. Van nature kiest de reegeit de juiste plek voor het zetten van de kitsen en hun eerste levensweken. In het dichte gras zijn de pasgeboren kitsen nagenoeg onzichtbaar. Ook de vos maakt hier weinig buit, omdat hij ervoor terugschrikt om in dichte grasgroei op jacht te gaan. Hij geeft de voorkeur aan minder dichte begroeiing. Zonder overleg met de boeren tijdens het maaien van de weiden is een effectieve redding van jong wild niet uitvoerbaar.
Blijf van jonge wilde dieren af
Het is goed bedoeld, maar meestal schadelijk: telkens weer rapen mensen ogenschijnlijk hulpeloze jonge vogels, konijnen of andere wilde dieren op. Terwijl deze wilde dieren zelden echt in nood verkeren.
Jonge merels verlaten bijvoorbeeld het nest voordat ze goed kunnen vliegen, verspreiden zich in de tuin en verkleinen zo het risico dat een kat of een andere predator het hele nest in één keer te pakken krijgt. De jonge vogels staan met hun ouders in voortdurend roepcontact – in onze oren een hulpeloos klinkend, doordringend gepiep. Zo weten de oudervogels altijd precies waar hun nageslacht zit en voeren ze het regelmatig. Laat de kleine veerballetjes dus alsjeblieft met rust. Alleen wanneer er onmiddellijk gevaar dreigt of de jonge vogel op een druk trottoir of op straat terechtkomt, zet men hem voorzichtig op een beschutte, zo mogelijk verhoogde plek in de buurt. Dit geldt ook voor jonge bosuilen en ransuilen.
Jonge vogels kan men met blote handen aanraken, want anders dan bij reeën of veldhazen storen de oudervogels zich niet aan de menselijke geur. Mocht een kind uit verkeerd begrepen dierenliefde een jonge vogel mee naar huis nemen, dan kan men hem ook nog uren later terugbrengen naar de vindplaats.
De kuikens van hoenders, eenden, ganzen en zwanen zijn nestvlieders, die door hun ouders of één ouder begeleid worden. Als zo'n kuiken langere tijd alleen ronddwaalt, is het inderdaad verlaten en heeft het hulp nodig. Het heeft geen zin om bijvoorbeeld een verweesd eendenkuiken bij een andere begeleidende eendenmoeder onder te schuiven, ze zal het verjagen of zelfs proberen te doden. Gevederde vondelingen brengt men het beste, na eerst telefonisch contact te hebben opgenomen, onmiddellijk naar een geschikte opvangplek of andere deskundige personen.
Een reekits in de tuin of een klein vogeltje in de woonkamer, opgeraapt door goedbedoelende mensen, stelt onervaren – en soms zelfs ervaren – verzorgers voor grote problemen. Net als bij vogels leidt verkeerde voeding bij jonge zoogdieren vaak tot blijvende schade. Opgeraapte wilde dieren hebben onder zulke omstandigheden slechts geringe overlevingskansen!
